In Die Zeit van gisteren schrijft de oud-kanselier over “Het recht op torens”, en hij zegt: .“Het Zwitserse bouwverbod voor minaretten toont aan dat de kijk van Europa op de islam nog altijd het stempel draagt van angst en onwetendheid.” . Een antwoord.

De bekendste wijze gek van de Arabische wereld is Nasreddin Hodscha. Hij zou in de dertiende eeuw in Anatolië geleefd hebben, en onder Turken worden zijn avonturen vandaag nog doorverteld. Het gaat zo: Nasreddin kwam een theehuis binnen en verkondigde: “De maan is nuttiger dan de zon.” De mensen waren verbaasd en vroegen, hoezo? “Omdat wij ’s nachts het licht veel meer nodig hebben.”

Met zijn lucide inzichten betreffende de islam, doet het artikel van Gerhard Schröder over het Zwitserse minarettenverbod mij aan deze wijze man denken.
De vroegere kanselier schrijft over de maan: “De islam is geen politieke ideologie, maar een vreedzame religie. Dat leert de koran.” En als bewijs legt hij een dwaalspoor: “Het waren geen islamitische staten die zich aan de beide wereldoorlogen van de voorbije eeuw hebben bezondigd.”* Dat van die wereldoorlogen heeft ook niemand beweerd, maar hoe zit het met de Heilige Oorlog, die sinds zijn uitvinding in de zevende eeuw de helft van de toenmalig bekende wereld met zijn zwaard onderwierp, en die pas duizend jaar later, in 1693 voor Wenen, door de Polen gestopt kon worden? Leerde de koran dat?


Tilman Nagel en Bassam Tibi, twee van de meest vooraanstaande islamexperten van onze tijd, deden hun opzoekingen, en doceerden in Göttingen, vlakbij Schröder. Beter dan ik hadden zij het hem kunnen uitleggen: islam betekent overgave aan de enige god. Hij omvat geloof, cultuur, levensbeschouwing en politiek. Zijn leer kent geen scheiding van Staat en Religie. Hij is ongetwijfeld ook een politieke ideologie, zelfs als Schröder dit graag van tafel geveegd wil hebben. Er zijn seculiere, verlichte moslims, maar de islam zelf kent tot dusverre geen Verlichting, en maakt de Mensenrechten ondergeschikt aan de richtlijnen van de sharia, het islamitische recht, zoals ook uit de Cairo-verklaring van de islamitische staten blijkt.


Wat Schröder schrijft over de minarettenkwestie is zonder meer discriminerend – voor seculiere moslims hier en bijvoorbeeld in Turkije.
Hij beschrijft de waarde van de democratie en de Verlichting vol-komen correct als “universeel”,  en tegelijk mag dat niet betekenen, “culturele en religieuze verschillen terzijde willen schuiven.” Ja, hoe zit het nu? In de controverse met de islam gaat het net om funda-mentele vragen, om de vrijheid van het individu, die religieus en cultureel bijvoorbeeld door het dwanghuwelijk ingeperkt worden, en om het afwerpen van religieuze betutteling. Schröder legt een dubbele maatstaf aan en relativeert.
Je hebt enerzijds de Europeanen, die de Verlichting voor zich in pacht hebben genomen, en aan de andere kant de moslims, die zo ver nog niet zijn, en van wie je niet kunt verlangen dat zij de Mensen-rechten zouden eerbiedigen en toelaten, of dat zij in hun land kerken zouden toelaten.


Over de mannenvriendschap van Schröder met Erdoğan of over de hoop op democratie geen kwaad woord, maar de vrouwen in Turkije worden onder de AKP-regering alsmaar verder in de marge van de samenleving geduwd, het huis in dus.
Nog slechts één vrouw op vier heeft een beroep. Vóór Erdoğan was dat nog een op drie.  Maar dat lijkt Schröder niet zo belangrijk, want voor hem zijn het “de zeldzame gevallen van dwanghuwelijken” en het “hoofddoekenverbod” die het moeten ontgelden voor het slechte imago dat de moslims hebben. Het dagelijkse leven van de moslims lijkt de “Zeit”-auteur enkel bekend van de nieuwsberichten.
Zijn houding is die van een machthebber, die problemen relativeert en waarden formuleert als die in de politieke berekening passen. Deze houding heeft niet enkel de sociaaldemocratie en het sociaal werk decennia lang ook in de integratiepolitiek verkondigd. De moslim-migranten, daar ging men van uit, zijn nog niet zo ver, wij mogen van hen niet te veel eigen verantwoordelijkheid eisen.


De moslims hebben recht op moskeeën en minaretten. Het referendum in Zwitserland over een verbod daarop was een angstkreet, een tragische beslissing. Er is amper een Zwitser namelijk die het recht bestrijdt van de moslims om hun religie te beleven, en zo goed als iedereen erkent het recht van de Zwitsers zelf, om uit te maken op welke manier zij met elkaar willen leven. Tragisch is de situatie hierdoor, dat er op een legitieme manier een beslissing werd genomen over een zaak die er helemaal niet toe doet. Moslimorganisaties, de Turkse regering, en nu ook Schröder menen dat er over de vrijheid van godsdienst is gestemd, en dat er een minderheid werd gediscrimineerd. Zulke critici van Zwitserland sloven zich uit in plaatsvervangende schaamte voor het volk en voor Europa. Feitelijk willen zij niet de discussie over de islam aangaan maar, zoals altijd, die over de schuld van Europa.
Ook in Duitsland doen islamverenigingen aanvragen tot het bouwen van moskeeën. Er zijn 150 moskeeën met of zonder minaret gepland of in aanbouw. Meestal zijn het afkooksels van Osmaanse Sinan-moskeeën met koepel en minaret, helemaal zoals die in tienduizend-voud in Anatolië staan, waarlijk geen “architectonische wonderwerken”. Ook architectonisch heeft er geen integratie plaats. Hoogst zelden verneemt men wat er in die moskeeën zo nodig staat te gebeuren, of wie ze financiert. Meestal worden geen sacrale ruimten gepland, maar islamitische centra.


De moslimgemeenschap heeft problemen met een civiele, burgerlijke maatschappij. Een open dialoog over dat “wat” de islam is,  vindt namelijk niet eens plaats in de islamconferentie, er komt enkel ter sprake “hoe” een groep moslims de islam wenst te beleven, bijvoorbeeld met moskeeën en hoofddoeken, met de symbolen van de halve maan en het zwaard.
Het echte “achtertuintje” is de afgrenzing tegenover de open civiele maatschappij. Het wantrouwen van de Zwitsers tegenover moskee-verenigingen komt ook voor uit de samenzwering die in de moskeeën beoefend wordt.  Zelfs de Zwitserse regering weet niet wat er in de moskeeën gepredikt wordt. Van de moslims vernemen de Zwitsers even weinig als de Duitsers. Maar ook dat zal onder de vrijheid van godsdienst vallen.


Dat de islam een “systeem” is, en niet enkel het geloof in één god, wil ook Schröder liever niet begrijpen, en opnieuw zijn het de Europeanen en hun media die moeten veranderen, en die de moslims met “andere ogen” moeten bekijken. Met deze alweer enkel tot het Westen gerichte eis, valt de oud-kanselier ons, seculiere moslims, in onze strijd met de bewakers van de islam in de rug aan.
Ik weet niets van gasleidingen af, en dus schrijf ik er ook niet over. Ik schrijf over de islam en die is, Gerhard Schröder mag het van mij aannemen, niet dat wat men bij de schaduw van de halve maan ziet. Als Anatolische emigrante wil ik met de staatsman de wijsheid van Nasreddin delen: Hodscha ging altijd achterwaarts op zijn rijdier zitten, omdat hij niet in dezelfde richting wilde kijken als zijn ezel.

De sociologe Necla Kelek liet laatst het boek verschijnen: “Bitterzoet geboorteland, bericht uit het binnenste van Turkije”.


Text: F.A.Z., 11.12.2009

* Zoals een lezer van Die Zeit opmerkt, lijkt Schröder niet te weten dat Turkije in de Eerste Wereldoorlog aan Duitse zijde streed, en de djihad verklaarde aan de Serviërs in Kosovo. Ook moet het hem ontgaan zijn dat in de Tweede Wereld-oorlog de Arabieren, Albanezen, Kosovaren en Bosniërs met Hitler meevochten.


 .
Meestal leidt het lezen van één boek tot het lezen van weer een ander boek. De lezer zelf heeft in dit proces nauwelijks inspraak. Tenminste, dat is mijn gevoel, en misschien ook het uwe, lezer. Boekenprogramma’s, lijstjes, succes, modes, grote oplages, verfilmingen: het speelt allemaal niet. Een krantenrecensie, blog- of tijdschriftrecensie kan eigenaardig genoeg soms wel een rol spelen.
Als ik nog even voor mijzelf mag spreken, ik ken maar één regel: boeken die je per se gelezen moet hebben, komen het huis niet in. Ook komen hun titels en auteursnamen mijn kop niet in. Dat is geen snobisme of iets dergelijks. Het is zelfs geen opzet, al is het natuurlijk wel zo dat boeken die in lijstjes voorkomen kort daarop door iedereen vergeten zijn. Je kunt deze loop der dingen betreuren, en er zit inderdaad een bepaalde helaasheid in, maar zo is het. Zelfs boeken waarvan ikzelf vind dat ik ze allang gelezen had moeten hebben, blijven jaar na jaar onaangeroerd liggen.
Anderzijds kan een boek zich wel door puur toeval aandienen. Nu viel mij door puur toeval een boekje in handen met als titel: “Code du Duel, een strafrechte-lijke analyse van het duel in de 19de eeuw”, van de hand van Joost Van Damme, advocaat en schermer. Het wordt geen bestseller. Heel serieuze analyse, met verwijzingen naar ordonnantiën, verordeningen, wetten, reglementeringen, en heel mooi uitgegeven, met een indeling niet enkel in hoofdstukken maar ook nog in genummerde paragrafen. Zoiets behaagt.
Merkwaardig dat een tekst als deze van Van Damme voor een leek als ik niet enkel leesbaar is, maar nog eens aangenaam.
Op dit moment heb ik het boekje voor de helft uit, en dus lijkt het ogenblik me geschikt, lezer, om u te zeggen waarom ik de andere helft direct ook wil lezen. Laat het onderwerp volkomen passé zijn, op de een of andere manier is het me dunkt toch aan de orde, en op dit blog kwam het trouwens eerder ter sprake.
De feitelijkheid, de droogte van de mededelingen van de auteur zijn de grote charme van zijn tekst. Wat betekent fantasie tenslotte naast de gewone werkelijkheid? En droge feiten zijn vaak grappig. Laten we de schrijver zelf aan het woord:  §59.

Ook het duel tussen de Leuvense studenten Delbecq en Naveau in 1774 is vermeldenswaardig.
Delbecq en Naveau voerden in februari 1774 in de herberg “’t Papegaaiken” een verhitte discussie omtrent de juiste Latijnse vertaling van de zin “de vos is de koning der dieren”. Naar de mening van Naveau en Delbecq  was niet de leeuw doch wel de vos de koning der dieren. Moest het nu “vulpes est rex animalium” zijn dan wel “vulpes est regina animalium”? De gemoederen liepen hoog op en wat begon als een gemoedelijk debat, ontaardde al snel in een hevige scheldpartij. De volgende avond, in de herberg “Den Blaesbalck”, bleken de gemoederen nog niet bedaard. Tot driemaal toe vroeg Delbecq zijn tegenstander om met hem naar buiten te gaan, zodat ze hun meningsverschil op straat konden uitvechten. Naveau weigerde echter: hij vond het beneden zijn stand om zich te gedragen als een ordinaire straatjongen. Daarop eiste Delbecq genoegdoening en prompt daagde hij zijn tegenstander uit tot “un duel au pistolet”. Naveau aanvaardde de uitdaging. In de nacht van 26 februari 1774, de dag nadien, begaven beide studenten zich ter hoogte van de toenmalige Brusselse poort (tussen de oude en de nieuwe Brusselse poort), waar ze zich op een afstand van 6 passen tegenover elkaar opstelden. Ze richtten hun pistolen en vuurden tegelijkertijd. De haan van het wapen van Naveau blokkeerde. De kogel uit het wapen van Delbecq trof Naveau’s rechterarm.

Een strafrechtelijke analyse
van het duel in de 19de eeuw
Joost Van Damme
Brussel, Larcier, 2009, pp. 24-5
De auteur meldt ons nog in voetnoot, dat een meer uitgebreid verslag van de gebeurtenissen te vinden is in:
D. Raeymaekers 
Pour fuyr le nom de vilayn et meschant
Het duel in de Zuidelijke Nederlanden:
aspecten van eer en oneer in de Nieuwe Tijd
2004, Leuven, onuitg., p. 44

In Europa wird ein Maulkorb schneller gefertigt
als jedes Gegenargument.
Ein Gastkommentar des Politikwissenschaftlers und Historikers
HAMED ABDEL-SAMAD
1.12.2009 0:00 Uhr

Europas Auseinandersetzung mit dem Islam befindet sich noch im infantilen Zustand. Infantil sind ebenfalls die Anforderungen und Ambitionen vieler Euro-Muslime. Das jetzt häufig als überraschend bezeichnete Votum der Schweizer gegen den Bau von Minaretten kommt mir in keiner Weise überraschend vor. Es ist eine natürliche Folge des Auseinanderdriftens der politischen und der öffentlichen Meinung bezüglich des Islam in ganz Europa. Während weite Teile der europäischen Bevölkerung berechtigte Ängste vor dem Islam haben, sehen die meisten Politiker die jüngste abrahamitische Religion und deren Anhänger als Bestandteil Europas. Sie liefern ihrer Bevölkerung dafür aber keine schlagkräftigen Argumente.

Aus Angst oder aus politischem und wirtschaftlichem Kalkül wird eine Appeasementpolitik gegenüber dem Islam betrieben, während die Ängste der eigenen Bevölkerung aus der politischen Debatte ausgeblendet werden. Nur im Rahmen einer scheinheiligen Integrationsdebatte tauchen diese Bedenken verkleidet wieder auf. Jedem Politiker, der es wagt, sie offen zu thematisieren, wird sofort Populismus und Stimmungsmache vorgeworfen. Eine Anzeige der Grünen gegen den Betroffenen wegen Volksverhetzung lässt gewöhnlich nicht lange auf sich warten. Und so wird der Maulkorb schneller gefertigt als jedes Gegenargument. Ergebnis: Das Volk verhetzt sich selbst, und die Angst vor dem Islam schlägt in Ressentiments um.

Für Nietzsche entsteht ein Ressentiment aus dem subjektiven Gefühl, ständig ungerecht behandelt zu werden. Und so sieht er die Psychologie des Ressentiments als Selbstvergiftung durch eine unvollzogene, gehemmte Rache. Rachegedanken, die nicht ausgeführt werden, seien laut Nietzsche wie ein Fieberanfall, den man nie loswird. Diese Metapher erklärt sowohl die antieuropäischen Ressentiments seitens der Muslime als auch antiislamische Ressentiments seitens der Europäer. Beide sind Ergebnis eines jahrhundertealten Fieberanfalls, der sich durch Misstrauen, Unehrlichkeit und unvollzogene Wutausbrüche nährt.

Vor acht Jahren entschied sich ein wütender Moslem, seinen Rachegelüsten freien Lauf zu lassen und jagte die Twin Towers von New York in die Luft. Er hat den Ton angegeben und seitdem tanzen wir alle nach seiner Pfeife. Die dänische Zeitung „Jyllands Posten“ antwortete vier Jahre später und platzierte eine Bombe im Turban des Propheten. Aufgebrachte Moslems gingen auf die Straße und bewarfen westliche Botschaften mit Molotowcocktails, um den Vorwurf des Terrorismus von ihrem Propheten abzuwenden. Kurz danach warf der Papst in seiner Regensburger Rede dem Islam vor, unvernünftig und gewalttätig zu sein. Wiederum gingen Muslime, unvernünftig und gewalttätig, auf die Straße, um auch diesen Vorwurf zu entkräften.

„Jyllands Posten“ brach mit den Mohammed-Karikaturen ein Tabu und so verlor das Land seine Jungfräulichkeit. Nun scheint auch die Schweiz ihre Unschuld verloren zu haben. Dafür bin ich den beiden Ländern sehr dankbar. Diese beiden Vorgänge haben keine neue Realität geschaffen, sondern die Gemütslage beider Seiten deutlicher gemacht. Europa hat Angst vor dem Islam, und Moslems wissen nicht, wie sie darauf reagieren können. Die Maulkörbe, die die Muslime den Islamkritikern zu verpassen versuchten, bewirkten genau das Gegenteil. Die islamische Überempfindlichkeit gegenüber Kritik führte zur Entstehung einer verkrampften Streitkultur, wo deutliche Meinungen unerwünscht waren.

Nach dem 11. September begnügten sich die islamischen Gemeinschaften in Europa mit Lippenbekenntnissen zu der Demokratie und leisteten kaum Beitrag zur Aufklärung. Als wäre nichts passiert, forcierten sie den Bau von repräsentativen Moscheen weiter, ohne die örtliche Bevölkerung dafür reichlich zu sensibilisieren. Oft gingen sie mit der Brechstange in die Debatte und gingen auf die Ängste und Bedenken ihrer Nachbar nicht ein. Statt sich der Debatte zu stellen, sind die meisten Muslime in Europa mit sich selbst beschäftigt. Ihre unreflektierte Verteidigung des Islam und ihre nur zögerliche Distanzierung vom Terrorismus ließen die Angst und das Misstrauen der Europäer ihnen gegenüber wuchern.

Dänemark und die Schweiz haben ihre Jungfräulichkeit verloren, und das ist gut so. Die kleinen Staaten haben angefangen und bald werden die großen auch folgen. Auch wenn es vielen nicht passt, finde ich es besser, wenn die Menschen laut und deutlich sagen, wie sie denken und was sie empfinden. Erst dann kann man ihnen antworten.

Ich hoffe, Moslems in der Schweiz und überall auf der Welt werden dieses Mal anders reagieren und das Votum der Schweizer als Anlass für eine differenzierte Debatte ohne große Emotionen sehen. Ich hoffe ebenfalls, dass Schweizer und Europäer erkennen werden, dass der Baustopp von Minaretten oder Moscheen kein Beitrag zur Abwehr gegen den fundamentalistischen Islam sein kann. Denn wenn Ali mich mit einem Messer bedroht, hilft es überhaupt nicht, wenn ich seinem Kind den Spielball wegnehme!


Der Autor ist Politikwissenschaftler und Historiker an der Universität München und Autor des Buches „Mein Abschied vom Himmel. Aus dem Leben eines Muslims in Deutschland“ (Fackelträger).

(Erschienen im gedruckten Tagesspiegel vom 01.12.2009)
In Europa staat men sneller met een muilkorf klaar
dan met eender welk tegenargument
Een gastcommentaar van de historicus en politieke wetenschapper
Hamed Abdel-Samad


Europa’s uiteenzetting met de islam staat nog in zijn kinderschoenen. Kinderachtig zijn in elk geval de eisen en de ambities van vele euromoslims. Vaak wordt de stembusuitslag, waarmee de Zwitsers zich tegen de bouw van minaretten uitspraken nu  verrassend genoemd, maar voor mij komt die uitslag geenszins als een verrassing. Die uitslag is een natuurlijk gevolg van het uit elkaar drijven, wat betreft het onderwerp islam, van de politieke wereld en de openbare mening in heel Europa.

Terwijl grote delen van de Europese bevolking gerechtvaardigde angsten koesteren voor de islam, zien de meeste politici de jongste Abrahamitische religie* en haar aanhangers als een bestanddeel van Europa. Slagkrachtige argumenten voor deze stelling leveren ze aan hun bevolking echter niet.

Uit angst, of uit politieke en economische berekening, bedrijven zij een politiek van appeasement tegenover de islam, terwijl de angsten van de eigen bevolking uit het politiek debat weggedraaid worden. Enkel in het kader van een schijnheilig integratiediscours duiken deze bezwaren in vermomde vorm weer op. Iedere politicus die het waagt om zulke zaken openlijk ter discussie te stellen, wordt onmiddellijk populisme en stemmingmakerij voor de voeten geworpen. Tegen de betroffenen zal een klacht van de Grünen, wegens opruiing van het volk, meestal niet lang op zich laten wachten. En zo is de muilkorf sneller in gereedheid gebracht dan gelijk welk tegenargument. Wat is daarvan het gevolg? Het volk zelf  raakt opgehitst, en de angst voor de islam slaat om in ressentiment.

Volgens Nietzsche ontstaat ressentiment uit het subjectieve gevoel voortdurend onrechtvaardig te worden behandeld. Dat brengt hem ertoe de psychologie van het ressentiment te zien als een zelfvergiftiging door een onvoltrokken, afgeremde wraak. Wraakgedachten die niet tot uitvoering komen, zijn volgens Nietzsche vergelijkbaar met een koortsopstoot die men niet kwijtraakt. Deze metafoor verklaart zowel de anti-Europese ressentimenten bij de moslims, alsook de anti-islamitische ressentimenten van de Europeanen. Beide zijn het gevolg van een eeuwenlange koortsaanval die in wantrouwen, oneerlijkheid en niet ten uitvoer gebrachte woedeaanvallen voedsel vindt.

Acht jaar geleden besloot een woedende moslim om aan zijn wraakgevoelens de vrije teugel te geven, en blies hij de Twin Towers in New York in de lucht. Hij heeft de toon gezet, en sinds die dag dansen wij allen naar zijn pijpen. De Deense krant “Jyllands Posten” antwoordde vier jaar later, en plaatste een bom in de tulband van de profeet. Boze moslims gingen de straat op en gooiden molotovcocktails naar Westerse ambassades, om zo het verwijt van terrorisme aan het adres van hun profeet af te wentelen.
Kort daarop, in zijn voordracht in Regensburg**, verweet de paus aan de islam onredelijk en gewelddadig te zijn. Alweer kwamen, om dit verwijt te ontzenuwen, moslims de straat op, onredelijk en gewelddadig.

“Jyllands Posten” had met zijn Mohammedkarikaturen een taboe doorbroken, en zo had het land zijn maagdelijkheid verloren. Het ziet er nu naar uit, dat ook Zwitserland  zijn onschuld is kwijtgeraakt.
Ik ben de beide landen daar zeer dankbaar voor. Deze twee gebeurtenissen hebben niet een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht, maar zij hebben wel de gemoedstoestand van beide kampen verduidelijkt. Europa heeft angst voor de islam, en moslims weten niet hoe zij daarop moeten reageren. De muilkorven die de moslims aan de islamcritici wilden voorbinden, hebben een precies tegengesteld effect. De islamitische overgevoeligheid voor kritiek deed een verkrampte strijdcultuur ontstaan, waar duidelijke meningen ongewenst waren.

Na de elfde september, stelden de islamitische gemeenschappen in Europa zich tevreden met wat lippendienst aan de democratie, en voor enige opheldering kwam er van hun kant nauwelijks wat.
Alsof er niets was gebeurd, forceerden zij  verder de bouw van opvallende moskeeën, zonder de plaatselijke bevolking daar ruimschoots op voor te bereiden. Vaak gingen zij met de koevoet het debat aan, en op de angsten en bezwaren van hun buurman gingen zij niet in. In plaats van het debat aan te gaan, zijn de meeste moslims in Europa met zichzelf in de weer. Door hun ondoordachte verdediging van de islam, en door hun hoogstens weifelend afstand nemen van het terrorisme, lieten zij tegenover henzelf de angst en het wantrouwen van de Europeanen woekeren.

Denemarken en Zwitserland zijn hun maagdelijkheid kwijt, en dat is net goed. De kleine staten zijn begonnen, en weldra zullen ook de grote volgen.
Ook als het velen slecht uitkomt, vind ik het beter als mensen luid en duidelijk zeggen hoe zij over de zaken denken, en wat hun ervaringen zijn. Pas dan kun je hen een antwoord geven.

Mijn hoop is, dat moslims in Zwitserland en overal ter wereld dit keer anders zullen reageren, en de stembusuitslag van de Zwitsers zullen zien als een gelegenheid tot een gedifferentieerd debat zonder grote emoties.
Ook hoop ik, dat  Zwitsers en Europeanen zullen inzien dat de bouwstop voor minaretten of moskeeën geen bijdrage kan leveren in de strijd tegen de fundamentalistische islam. Want het helpt helemaal niet om zijn kind zijn bal af te pakken, als Ali zelf mij met een mes bedreigt!

De auteur is politiek wetenschapper en historicus aan de universiteit van München, en auteur van het boek “Mein Abschied vom Himmel. Aus dem Leben eines Muslims in Deutschland” (Fackelträger).

(Verscheen in de gedrukte Tagesspiegel van 1 december)

_______________________________
* Ik vertaal deze tekst wel, omdat ik hem interessant genoeg vind, maar dat betekent niet dat ik alles aanvaard wat er in staat. Onder meer tegen Abdel-Samads woord-gebruik Abrahamitische religie zou ik al bezwaar willen aantekenen, omdat de islam die traditie zelf wel claimt, maar tegelijk van “vervalsingen” spreekt als het om teksten gaat die ouder zijn dan wat zij voor hun enige koran houden. 
Islamieten kennen wel een soort exegese (meer een doctrine) maar zij houden zich natuurlijk vér van elk echt filologisch onderzoek, en proberen dat nu zelfs in het Westen tegen te gaan (met succes vaak).

** De Kwaliteitskranten bij ons waren daar nog niet van op de hoogte toen, maar Le Monde al wel, en een deel van de speech van Ratzinger vond u hier al, de dag daarop. Het dient gezegd dat onze kranten, nog binnen dezelfde week geloof ik, hun schade gedeeltelijk hebben ingehaald.

.

Als hij zag dat zijn makkertjes op de speelplaats met elkaar slaags raakten, dan wierp de nochtans tenger gebouwde Domenico Savio (1842–1857) zich dapper tussen de partijen, en stak hij een kruisbeeld in de hoogte. .Zijn tussenkomsten hadden vaak een gunstig effect, en zo werd Domenico de jongste heilige in de categorie niet-martelaren (hij stierf aan een longontsteking).

Op die pleuris na, lijkt de wat oudere Yves Desmet nu een gelijkaardige rol te willen spelen. De methode die Yves aanwendt is vanzelfsprekend niet meer die van StDomenico. Ook vrees ik dat Yves de hemel er niet mee in komt. Wel kan te zijnen gunste aangevoerd worden dat tenminste zijn hart bloedt, als hij ziet hoe zijn makkertjes Etienne, Benno, Paul en vele anderen in twist en tweespalt raken, maar dat verschoont nog niet het gebruik van alle middelen.

Het zou ons te ver leiden lezer, om heel Yves zijn strategisch arsenaal bloot te leggen. Daartoe zouden wij zijn essay, de vele antwoorden daarop, en tenslotte weer zijn stukje van gisteren moeten door-ploegen. Daar hebben u noch ik de tijd voor. We beperken ons tot zijn gebruik van twee kunstgreepjes.

Een goede retorische truc is het, als je merkt dat je in een debat aan het kortste eind zult trekken, om de argumenten van de tegenstander tot de jouwe te maken. Je roept dan: “Dat heb ik zelf altijd al gezegd!”. En ja, Yves Desmet wees op zijn bijna-martelaarschap na die “kutmarokkaantjes” van hem. Nog even, en hij had geschreven: .Die Wunden klaffen, es verströmt mein Blut. Ein Posten ist vakant!

Een nog betere truc is het, om meteen het vocabularium zelf van de twist, alle gebruikte termen naar eigen hand te zetten. Je geeft die termen dan een betekenis die verschilt van wat iedereen er altijd al onder verstond.
Laten we ons beperken tot de bespreking van de term “kaping”. Goossens sr. had ergens opgemerkt dat het migratiethema “gekaapt was” door, wat hij noemt de rechterzijde.

De Nederlandse jurist Grotius bespreekt deze term al, en oorspronkelijk vond hij kaping, tenminste in open water, een Natuurrecht. Later, toen Engeland de eerste macht ter zee was geworden, herzag hij zijn mening en vond hij het een misdaad. Omstandigheden veranderen, en het is geen misdaad om van mening te veranderen.
Maar wat gelukkig Hugo De Groot nooit heeft overwogen, was om de term kaping te gebruiken, als er in volle zee en zonder vijandelijke bedoelingen een stuurloos en onbemand schip werd geënterd en naar de haven gesleept, waarop enkel wat verstekelingen zaten. En dat doet Goossens wel (in zijn onschuld neem ik aan).

Helaas valt Yves Desmet hem bij, weliswaar na enig tegenstribbelen, want hij geeft ootmoedig toe dat het migratieschip door de welmenende bemanning inderdaad vrijwillig was verlaten:

Daarmee doet [Goossens] zichzelf , en de hele linkerzijde, groot onrecht aan, want zij hebben het debat wel degelijk jarenlang beheerst en gestuurd.

Ook in zijn essay vorige week zei Desmet nog over de migratie-problemen:

“Dat punt is zeer lang onbespreekbaar geweest, […]”.

Maar dan wordt de verleiding Yves plots te sterk, en stapt hij mee in de Goossense on-taal:

Paul Goossens, de vrijwel voltallige linkerzijde en trouwens ook bovengetekende, hebben die blinde vlek jarenlang gekoesterd en zo toegestaan dat het migratiedebat inderdaad door anderen gekaapt is.

Na “jongeren”, “diversiteit”, “cultuur”, “vriend”, “fobie” en zovele andere woorden, kunnen we niet toelaten dat de PC-journalisten, of ze slim zijn of dom, nu ook het woord “kaping” kapen.

.
.
DE MORGEN
Yves Desmet antwoordt Paul Goossens, Etienne Vermeersch
 en anderen in het islamdebat
Makkers, laten we het oneens blijven

Yves Desmet is politiek commentator van deze krant.
Na zijn essay “Makkers, staakt uw wild geraas” (DM 14/11), waarin hij de islamcritici en de progressieve goegemeente vroeg om het islamdebat iets zindelijker en constructiever te voeren, kreeg Yves Desmet lik op stuk van de twee kanten. Zelfs met een aantal zinnige argumenten, vindt hij zelf.
Wanneer je de twee tegenpolen in een debat aanpakt, krijg je het van alle kanten terug, en dat is maar goed ook. Alleen die botsing van ideeën kan uiteindelijk tot een begin van overeenstemming leiden. Op voorwaarde dat iedereen tenminste zijn verantwoordelijkheid opneemt en durft te erkennen dat hij mogelijk wel eens in de fout gaat. Dat lukt aan beide kanten moeilijk, en liever houdt men een competitie in slachtofferschap.
Zo klaagt Paul Goossens dat het belang en de invloed van links in het migrantendebat “compleet overschat, en die van de islamofoben onderschat” worden, en dat het “migratiedebat volledig gekaapt is door de islamcritici, de curatoren van het groot museum van elitaire angsten en bekrompenheid.” (DM 17/11) Daarmee doet hij zichzelf, en de hele linkerzijde, groot onrecht aan, want zij hebben het debat wel degelijk jarenlang beheerst en gestuurd. Vanuit een terechte en zelfs lovenswaardige bekommernis voor de zwakkeren van de samenleving, vanuit een even terechte en juiste strijd tegen racisme en onverdraagzaamheid. Maar wat daarbij tegelijk ontwikkeld werd, was een blinde vlek voor een aantal fenomenen die de migratie ook veroorzaakt heeft: de vervreemding en angst voor het vreemde, de reële problematiek van achterstelling die heeft geleid tot criminaliteit en onaangepast sociaal gedrag, maar ook de culturele verschillen die soms, niet altijd, wel degelijk in conflict staan met een aantal grondwaarden van deze samenleving. We hadden dat nochtans kunnen weten. Al in 1984, vijfentwintig (!) jaar geleden, schreef Gerard van Westerloo, een onbesproken progressieve journalist, in Vrij Nederland een reportage over lijn 16, een tramlijn die het toen al steeds multiculturelere Amsterdam doorkruiste. Daar hadden de trambestuurders op zich niet eens zoveel problemen mee. Waar ze wel problemen mee hadden, was dat er, wanneer ze met een mes bedreigd werden door jonge Surinamers tijdens hun dienst en daar hun beklag over maakten bij de vervoersmaatschappij, als antwoord een cursus werd gegeven om hen te leren waar Paramaribo lag en hoe ze met cultuurverschillen moesten omgaan. Terwijl die bestuurders eigenlijk alleen wilden dat het messengetrek zou ophouden. Van Westerloo werd na die reportage net niet als een halve racist weggehoond door de Amsterdamse grachtengordel. Tien jaar later stemden die trambestuurders op Pim Fortuyn, vandaag waarschijnlijk op Geert Wilders.
Paul Goossens, de vrijwel voltallige linkerzijde en trouwens ook bovengetekende, hebben die blinde vlek jarenlang gekoesterd en zo toegestaan dat het migratiedebat inderdaad door anderen gekaapt is. In plaats van dan in het fout gebleken grote gelijk te blijven steken is het misschien aangewezen om het debat terug te claimen, en om naast de terechte en juiste stelling dat de islam en de migratie onverbrekelijk met Vlaanderen gelinkt zullen blijven, te erkennen dat die nieuwe realiteit ook een aantal nieuwe problemen schept. Het minimaliseren of negeren van die problemen geeft alleen het debat weg aan hen die de feiten wel correct benoemen, maar er jammer genoeg alleen onzinnige oplossingen voor kunnen bedenken.
Ook Benno Barnard koestert het slachtofferschap, smeekt om hem niet langer als een “onmens” te behandelen. Dat woord stond bij mijn weten niet in mijn stuk, en ik denk dat evenmin, net zomin als ik Barnard het recht ontzeg om aan islamkritiek te doen. Alleen heb ik ook het recht om kritiek te leveren op zijn kritiek, zonder daarom meteen als een naïeveling bestempeld te worden.
Natuurlijk heeft Etienne Vermeersch gelijk wanneer hij het zorgwekkend vindt dat de Organisatie van Islamitische Landen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens al in 1980 ondergeschikt verklaarde aan de sharia. Net zo zorgwekkend trouwens als Philip Dewinter, die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ondergeschikt verklaarde aan het principe “Eigen volk eerst”, of als het Vaticaan, dat zijn gelovigen een bepaalde seksuele moraal meent te moeten opdringen. Alleen, net zoals de meeste katholieken zich daar weinig van aantrekken, zie ik in mijn stad Mechelen, die nochtans een van de grootste concentraties migranten(kinderen) van Marokkaanse oorsprong van het land heeft, nooit betogingen rondstappen die de invoering van de sharia eisen.
De weinige moslimfundamentalisten in dit land die hun ideologie in de praktijk wilden brengen, zijn inmiddels opgepakt door de gerechtelijke politie en zitten in de gevangenis. En terecht. Voor het overige is de radicaalste moslim in Vlaanderen een Antwerpse imam die pleit voor de oprichting van moslimscholen. Een rotslecht idee, maar hij kleurt wel perfect binnen de lijntjes van de vrijheid van meningsuiting en van onderwijs, verankerd als een grondwaarde van onze samenleving in de constitutie. Mag ik dan de zogezegd zekere ondergang van het Avondland een beetje relativeren? Maar ik beloof plechtig dat wanneer dat ooit een echte bedreiging wordt, deze krant op de barricaden zal staan om de verworvenheden van de verlichting en de democratie te verdedigen tegen een oprukkend godsdienstfanatisme.
Beste Paul, beste Benno
Ons islamdebat leefde in Mechelen overigens iets minder dan een incident dat de afgelopen week wel hét gespreksonderwerp was. Daar had een veertienjarige nieuwe Belg zijn derde Ford Fiesta gestolen, er was een wilde achtervolging door het drukke stadscentrum ontstaan waarbij hij net geen tienjarige fietster van de sokken reed, en uiteindelijk crashte hij tegen een paar geparkeerde wagens, waarop hij ingerekend werd door de politie. Hij had al een paar keer huisarrest gekregen voor eerdere inbraken en handtasdiefstallen. Ik denk niet, beste Paul, dat zijn gedrag een wat creatieve invulling van het verkeersreglement was, of te verklaren valt uit een gerechtvaardigd verzet tegen maatschappelijke achterstelling en racisme, noch uit het gegeven dat zijn stem niet genoeg weerklank krijgt in het maatschappelijke debat. Ik denk niet, beste Benno, dat hij gedreven werd door een diep islamitische overtuiging, of dat hij zijn hoogst individuele invulling gaf aan de jihad.
Misschien kunnen we eens met zijn allen nadenken over wat je aan dit soort situaties doet, in plaats van ons te begraven in het grote gelijk van een mooie polemiek over elkaars ideologieën.

De Morgen: ESSAY

Yves Desmet ziet hoe het islamdebat in ons land
al te vaak op gescheld uitdraait

Makkers, staakt uw wild geraas

Het langzaam de kop opstekende islamdebat in dit landje onderscheidt zich vooral door veel radicale polemiek, het spelen op de man en de grove veralgemening, eerder dan door inhoudelijke argumenten, het zoeken naar nuance of enige redelijkheid.
Het werkt dan ook meer polariserend dan constructief.
In Het land van aankomst, het standaardwerk over migratie in de lage landen, beschrijft Paul Scheffer de stadia die zowat iedere migratiebeweging in de wereldgeschiedenis kenmerkt. Achtereenvolgens gaan zowel de ontvangende gemeenschap als de migrantenpopulatie door de fase van vervreemding, conflict en verzoening. Vervreemding voor de eerste omdat zijn leefomgeving voor hem op een te drastische manier verandert, vervreemding voor de tweede omdat hij zijn waarden en cultuurpatroon maar met moeite kan handhaven in zijn nieuwe omgeving. Migratie brengt niet alleen verrijking met zich mee, zoals iets te naïeve voorstanders van de multiculturele samenleving verhoopten, maar ook een verlies, zowel voor de oude bewoners als voor de nieuwkomers, die allebei vrezen een stuk van hun cultuur kwijt te raken.
De spanningen die dat oproept, monden uiteindelijk uit in een conflict, waarvan bij ons het hoofddoekendebat maar één van de recente voorbeelden is.
Dat zich daarop een maatschappelijk debat ent, is alleen maar toe te juichen, maar dan zou het toch een beetje volgens de regels gevoerd moeten worden. En dat gebeurt, aan beide kanten van het spectrum, niet of nauwelijks. Het huidige islamdebat, want daartoe dreigt het migratievraagstuk stilaan verengd te worden, lijkt meer en meer op een stellingenoorlog, waarin ieder vanuit de loopgraven van het eigen Grote Gelijk met zo grof mogelijke munitie naar de overzijde schiet. Dat is alvast niet bevorderlijk voor de derde fase die Paul Scheffer beschrijft, de verzoening.

Islamisering

“Het is merkwaardig”, liet professor Mark Elchardus onlangs optekenen, “hoe mensen die twintig jaar geleden nog migranten waren, en tien jaar geleden allochtonen, nu uitsluitend als moslims worden aangesproken, zonder dat er eigenlijk iets aan hun leefwereld en overtuiging is veranderd.” Het maatschappelijk veranderende discours daarover is af te lezen aan de slogans van het Vlaams Blok, dat twintig jaar geleden nog simpelweg “Vreemdelingen buiten!” riep en het nu nog uitsluitend heeft over de dreigende islamisering van onze steden, en bij uitbreiding heel Europa. Een thema dat niet langer alleen hen zorgen baart, maar ook als thema de cover van populaire weekbladen haalt, de boeken van Jean-Marie Dedecker en de vrije tribunes van schrijvers en filosofen als Benno Barnard en Etienne Vermeersch.
Vooral de tonaliteit van Benno Barnard en sommige van zijn medestanders is ongemeen hard. In een opiniestuk over de hoofddoek luidt het: “Dit gaat over cultuur en beschaving, niet over textiel of alternatieve tienermode. Het gaat om een tactisch wapen in de kruistocht tegen de moderniteit, waarbij iedere hoofddoek een vlag is, geplant in het hart van het Westen.” Verderop gaat het “om het uitzetten van bruggenhoofden in een veroveringsproject”, en in een ander opiniestuk krijgen tegenstanders de volgende vermaning mee: “Je hoeft me niet te geloven, hoor. De kogels van sultan Mehmet slaan bressen in de muren van Byzantium, maar debatteer gerust over het geslacht der engelen.” Elders schrijft Barnard: “Nazisme en negationisme zijn terecht verboden. Maar zou de Koran ook deze lakmoesproef kunnen doorstaan?”
De boodschap kan niet mis begrepen worden: Europa staat voor een beschavingsoorlog, wordt in zijn kern bedreigd door een godsdienst die onmogelijk compatibel kan zijn met de westerse waarden. Mocht dat zo zijn, dan is eigenlijk de onvermijdelijke conclusie dat je die mensen zo snel mogelijk moet neutraliseren: gedwongen bekering, deportatie of nog zwaardere methodes zijn dan de enige oplossingen, ook al hebben betrokken auteurs die logica van hun redenering nog niet op schrift gesteld.
Nu zijn er wat argumenten die deze imminente beschavingsoorlog en verovering tegenspreken.
Volgens demografische berekeningen van het Planbureau zal in 2030 ongeveer 5 procent van de Belgische bevolking van Marokkaanse of Turkse oorsprong zijn. Zelfs indien dat allemaal zeer orthodoxe moslims zouden zijn, is de kolonisering van onze samenleving nog altijd veraf. De problematiek zal zich veeleer stellen in de steden, waar vandaag in Antwerpen bijvoorbeeld al de helft van de kleuters thuis geen Nederlands spreekt. Migratieproblematiek is in eerste instantie een stedenproblematiek, wat in het debat ook vaak gretig vergeten wordt.
Dan heb je de meest uitgebreide studie naar het waardepatroon van moslims ooit, uitgevoerd door het Gallup Center for Muslim Studies, die zes jaar lang tienduizenden moslims in meer dan veertig landen ondervroegen. Zeven procent van die moslims kunnen volgens die studie beschouwd worden als “politiek geradicaliseerd”. Dat zijn er allemaal samen een zeer respectabel aantal, maar het blijft een kleine minderheid. De anderen zien absoluut geen heil in de sharia als rechtssysteem, en zijn gelukkig met de democratie, als ze die al hebben.
Onderzoekers John Esposito en Dalia Mogahed stelden bij de voorstelling van hun resultaten dat de gemiddelde moslim in zijn voorkeuren niet afwijkt van westerlingen: democratie, vrijheid, westerse expertise en technologie vinden ze belangrijke verworvenheden. De gemiddelde moslim droomt niet van de jihad, maar van een betere toekomst voor zijn kinderen, van goed onderwijs en een goede baan.
Die statistische waarheid wordt door de islamcritici steevast gecounterd met waslijsten krantenknipsels van gestenigde vrouwen, doden bij duiveluitdrijvingen, bomaanslagen en andere feiten. En natuurlijk hebben ze gelijk: de islam durft zich evenzeer van een zeer onverdraagzame en totalitaire kant te laten zien. Alleen: voorlopig zijn dat excessen, en de definitie van een exces is net iets wat van de algemene norm afwijkt. De stelling dat de moslimwereld te omschrijven valt als Mohammed die droomt van een aanslag, en dat maal anderhalf miljard, is dus misschien wat kort door de bocht.
Je zou dan ook de argumentatie kunnen ontwikkelen dat alle Afrikanen voorbestemd zijn om elkaar met machetes uit te moorden, groepsverkrachtingen te organiseren en kindsoldaten te ronselen. Je vindt vrij moeiteloos voldoende krantenknipsels om die stelling te onderbouwen. Maar toch zou niemand een dergelijke grove en volkomen onterechte veralgemening aandurven, terwijl dat bij de islamcritici schering en inslag is.

Schelden

Ironisch is de vaststelling dat beide kampen in het debat zich van gelijkaardige retorische trucs bedienen. Zo schrijft Benno Barnard: “Het is mijn ervaring dat sommige mensen mij schuwen, sinds ik me in het openbaar over de islam uitspreek. Sindsdien ben ik een slecht mens, die ergens tussen het fascisme en het populisme thuishoort. Net als de islam kent links geen genade voor afvalligen.”
Het klopt inderdaad dat soms op de man gespeeld wordt. Politicoloog Sami Zemni zei in een interview: “Dat sommige mensen durven te beweren dat elke moslim per definitie gewelddadig is en voorgeprogrammeerd om te doden is hallucinant. Als mensen van links, zoals Benno Barnard en Wim Van Rooy, beginnen te schrijven dat Philip Dewinter gelijk heeft over de islam, wordt het gevaarlijk. Zo is het antisemitisme ook groot geworden.” Zoiets hebben Barnard en Vermeersch vooreerst nooit geschreven, en hun islamkritiek meteen gelijkschakelen aan de opkomst van het vooroorlogse antisemitisme is ook niet meteen een zindelijk argument.
Anderzijds gebruikt het vermeende slachtoffer van weldenkend links graag identiek dezelfde methodiek. Toen schrijver Tom Naegels opmerkte dat hij aan waslijsten terroristische aanslagen in Pakistan en enkele goed gekozen en wrede Koranfragmenten weinig had om de reële fundamentalistisch-islamitische bedreiging in zijn stad Antwerpen te kunnen inschatten, was Barnard er als de kippen bij om deze nochtans perfect legitieme vraag af te doen als de verzuchting van een “provinciaaltje” en te stellen “dat nogal wat linkse intellectuelen een afkeer hebben van feiten die springstof vormen onder de noties van de maakbare samenleving.”
Terwijl het net de opdracht van een intellectueel, of hij nu links of rechts is, zou moeten zijn om alle feiten, ook deze die zijn hypothese niet ondersteunen, te betrekken in zijn redenering.
Dat doen beiden kanten niet: het blijft vaak hangen in persoonlijk gescheld.
Dat mocht ook Groen!-parlementslid Luckas Vander Taelen ervaren, die zich in een opiniestuk had beklaagd over de toenemende agressie en onverdraagzaamheid in een aantal Brusselse probleembuurten, noem ze gerust getto”s. Een fluim in zijn gezicht was zijn deel geworden toen hij het aandurfde om enkele bewoners van de wijk op hun gedrag aan te spreken. Een eerste standje kwam van publicist Paul Goossens: “Of ze nu Philip Dewinter, Benno Barnard of Jean-Marie Dedecker heten, het nieuwe front van bange Oude Belgen deelt dezelfde onwrikbare overtuiging: de islam bedreigt de westerse waarden, het verkeersreglement in de eerste plaats.” Waarop Barnard prompt de vermeende destijdse sympathieën van Goossens voor het maoïsme op de korrel nam. Waarop Kristien Hemmerechts het ego van Barnard onder vuur nam en ook even sneerde naar Vander Taelen: “Ik ben nog nooit in mijn gezicht gespuwd, dus vraag ik me af wat Luckas Vander Taelen doet waardoor er in zijn gezicht wordt gespuwd, maar bon, dit terzijde.” Een variant op de redenering dat de vrouw die verkracht wordt er misschien ook wel zelf om heeft gevraagd. Ziedaar het peil van het intellectuele debat in Vlaanderen, anno 2009.

Exegese

Barnard en Vermeersch argumenteren vaak op basis van een exegese van Koranfragmenten. In dat boek vind je inderdaad nogal gruwelijke voorschriften en fragmenten, dat heeft het met het Oude Testament gemeen. Maar net zomin als iedere katholiek nauwgezet de Bijbel of de voorschriften van de paus volgt, is iedere moslim plots een diepgelovige, die voor iedere handeling de vraag stelt welk Koranvers van toepassing zou kunnen zijn. Als we de bronteksten van het christendom en het judaïsme niet toepassen op iedere katholiek of jood, waarom dan wel bij de moslim?
Geschat wordt dat slechts 20 procent van de groep die zich als moslim omschrijft iedere vrijdag naar de moskee gaat. De anderen doen dat nooit of zeer zelden, ook al bidden ze en houden ze ramadan, en vinden ze zichzelf volbloed moslim. Ook binnen de moslimgemeenschap, net als binnen de katholieke, vind je alle varianten van diepgelovig tot randkerkelijk. Daar allemaal het etiket moslim, laat staan radicaal, op plakken is een grove veralgemening. Trouwens, geloven Barnard en Vermeersch echt dat het probleem opgelost zou zijn wanneer morgen alle moslims bij toverslag ex-moslims zouden worden?
Dat een godsdienst last heeft met de moderniteit is niet het exclusieve voorrecht van de islam. Ook de katholieke kerk heeft maar node leren aanvaarden – en nog niet eens de afgelopen twintig jaar – dat de samenleving anders denkt over abortus, euthanasie en het homohuwelijk dan zij. Bij de islam is dat niet anders, en vandaag mogelijk zelfs heftiger. Daar moet je je dan inderdaad tegen verzetten, en de imam moet niet krijgen wat aan de bisschop ontnomen is, maar om dan meteen de islam tot enige en algehele bedreiging van de westerse waarden te bombarderen gaat ook wat ver. Het verwijt van de islamcritici aan de klassieke linkerzijde – een schuldige naïviteit die veel problemen onder de mantel van de tolerantie heeft geveegd – is terecht, maar de slinger dreigt nu wel door te slaan naar een soort verlichtingsfundamentalisme dat zich ent op tien verzen uit de Koran. De verlichtingsretoriek dreigt zo een middel tot onderdrukking en disciplinering van de ander te worden en dan zit je dicht bij een uitspraak van de Franse filosoof Todorov: “De angst voor barbaren is wat ons dreigt tot barbaar te maken. En het kwade dat wij zullen berokkenen zal veruit het kwade dat we eerst vreesden overtreffen.”
Terwijl de geschiedenis toch leert dat godsdiensten eerst en vooral onuitroeibaar zijn, maar ook in staat tot het beste en het slechtste. De moslimcultuur rond het Alhambra was in de vroege middeleeuwen de meest vooruitstrevende en open samenleving die er destijds bestond, en het katholicisme was niet zo lang daarna verantwoordelijk voor de inquisitie. Politicoloog Sami Zemni heeft geen ongelijk wanneer hij stelt: “Het theoretische debat over tradities en concepten in de islam kan best interessant zijn, en een aantal kritieken zullen zeker waar zijn, maar is dat het belangrijkste? Nee, de grote vraag is hoe moslims een integraal onderdeel zullen worden van deze maatschappij. Nu praten we vaak over een virtuele media-islam die in de werkelijkheid niet bestaat.”

Weldenkend links

Wanneer de islamcritici een overtuigend punt maken, dan is het met hun kritiek op wat ze gemeenzaam als “welmenend links” omschrijven. Daar is tolerantie inderdaad te lang een dekmantel voor onverschilligheid geweest, een blind wegkijken wanneer nochtans fundamentele waarden in het gedrang dreigden te komen. Niet door de voltallige moslimgemeenschap, maar vooral door jonge mannen uit die groep, die de islam vaak misbruiken als vlag van morele superioriteit om weg te komen met zaken die niet door de beugel kunnen. Dat punt is zeer lang onbespreekbaar geweest, zoals ik zelf mocht ervaren in april 2002, toen ik het, jaren voor de huidige islamcritici zich outten, al had over de problemen van de rot-Marokkaantjes in de grootstad. Ook toen was de vaststelling dat die wel degelijk bestaan al voldoende om een huivering door de progressieve goegemeente te jagen. Want als je je door die vaststelling al niet meteen als racist uitte, dan droeg je toch minstens bij tot een stigmatiserende beeldvorming van de betrokken gemeenschap. Die gedachtegang wordt tot vandaag volgehouden door publicisten als Paul Goossens, die de terechte vaststellingen van Luckas Vander Taelen over de feitelijke wetteloosheid en onverdraagzaamheid in een aantal Brusselse probleembuurten niet alleen weg minimaliseerde, maar meteen ook de volledige verantwoordelijkheid legde bij de maatschappelijke achterstelling van de jonge allochtoon. Een fluim in het gezicht, een steen naar de politiecombi, een handtasdiefstal als legitieme daad van politiek verzet tegen een incompetent gemeentebestuur en een racistische samenleving, die redenering.
Maatschappelijke achterstelling leidt inderdaad tot criminaliteit en vandalisme, maar is er daarom nog geen excuus voor. En het helpt niet echt de ogen te sluiten voor de stoet jonge allochtone pubers die voor onze jeugdrechters defileert en die enkel met de dreiging dat ze anders naar de gesloten instelling in Mol worden gestuurd enigszins in het maatschappelijke gareel kunnen worden gehouden. Als ze buiten de rechtszaal al niet worden opgewacht door de meerderjarige bendeleider die een nieuwe klus in petto heeft. En natuurlijk zijn die rotjochies met even weinig als de werkelijk radicaal-fundamentalistische moslims, maar ze zijn er wel en hun gedrag kapot verklaren of vergoelijken is alleen maar een middel om de publieke opinie rustig verder te later verrechtsen. Als de islamcritici vaak makelaars in angst zijn, dan zijn er ook producenten van slachtofferschap, die met mooie maatschappijanalyses, waarin zelfs een grond van waarheid zit, de illusie creëren dat je niet langer verantwoordelijk zou zijn voor je eigen daden.
Een samenleving heeft de verdomde plicht kansen te bieden aan haar migranten en hun kinderen, iets waar we al decennia jammerlijk in falen. Maar omgekeerd hebben migranten en hun kinderen ook de verplichting die kansen te grijpen en er een inspanning voor te leveren. Velen doen dat gelukkig, een minderheid ostentatief niet. Volhouden, zoals Goossens doet, dat de pure vaststelling van dat gegeven alleen past in “het Groot Museum van elitaire angsten en bekrompenheid” is niet meteen een sterk argument. De tolerantie voor dat soort gedrag is immers in wezen schuldig verzuim, de vermijding van die vaststelling is niet langer doenbaar, en vandaar ook het ontstaan van het conflict.
De vraag is alleen hoe je naar de verzoening gaat.

Dialoog

Journalist Joël De Ceulaer maakte een mooie observatie bij het bekijken van de Terzake 09-verkiezingsuitzendingen, waar met een aantal stellingen naar de mening van de Vlaming werd gepeild. Eén van die stellingen was: “Ook een moslim is een Vlaming.” Alleen al dat je er een stelling van maakt, suggereert dat er over dit gegeven gediscussieerd zou kunnen worden. De Ceulaer stelde terecht vast dat geen redactie op het idee zou komen om stellingen te bedenken als “ook een vrouw is een mens” of “ook een homo is een Vlaming”. Het toont hoe diep het wij- en zij-denken in het onderbewuste aanwezig is. Overigens aan de beide kanten van het spectrum: al te gemakkelijk wordt ook iedere kritische benadering van moslimthema”s of migratievraagstukken door allochtone woordvoerders afgedaan als een illustratie van het wij-zij-denken en daarmee meteen al te makkelijk van tafel geveegd.
De enige mogelijke oplossing is een open en taboeloos debat, waarbij eenieder zijn mening en vrijheid blijft behouden. Wanneer moslims zeer terecht het grondwettelijk verankerde recht op godsdienst en godsdienstbeleving opeisen, dan moeten zij ook aanvaarden dat anderen hun even grondwettelijk verankerde recht op godsdienstkritiek uitoefenen. Zelfs al gebeurt dat soms radicaal, maar zowel Geert Wilders als Nordine Taouil hebben recht op hun mening. Het democratische debat is niets anders dan dat: een botsing van meningen. Religieuze orthodoxie heeft altijd bestaan. Marginalisering ervan maakt een samenleving niet opener of vrijer. Maar de prijs daarvoor is even heftige godsdienstkritiek. En op zijn beurt weer kritiek op die godsdienstkritiek.
Er moeten meerderheden van gelovigen zijn die aanvaarden dat zij hun normen niet kunnen opdringen aan de samenleving. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat een grote meerderheid van moslims die dialoog of dat respect voor de rechtsstaat afwijst. Maar wanneer moslims vrijheid opeisen, moeten ze die ook aan anderen gunnen. Pluralisme wordt ook in hun gemeenschap onvoldoende aanvaard, voor geloofsafvalligen is het helemaal onleefbaar. Ook dat moet gezegd en bekritiseerd kunnen worden.
Als er zich al problemen stellen met orthodoxe of fundamentalistische denkbeelden in bepaalde moskeeën, dan is dat in tegenstelling tot een wijd verbreid misverstand overigens niet te linken aan maatschappelijke achterstelling van de migrant. De staatsveiligheid en de gerechtelijke politie, die deze radicalen nauwgezet volgen, bevestigen allebei dat radicalisering vooral een probleem vormt bij hoger opgeleide moslims, die in de orthodoxie een politieke leer vinden die hen aanspreekt. Net zoals je bij de maoïsten destijds ook meer universitairen dan arbeiders vond om de gewapende revolutie van het proletariaat te verdedigen.
Wat we eigenlijk nodig hebben, is een opstand van de gematigden. Waarbij taboeloos kan worden gesproken over de thema”s die het conflict weerspiegelen.
Patrick Janssens kreeg een stortvloed van kritiek toen hij de problematiek van de volgmigratie aankaartte. Nochtans terecht: zo”n 70 procent van de kinderen van migranten haalt op zijn of haar beurt een partner uit het land van herkomst, 30 procent huwt met een partner van de tweede of derde generatie. Trouwen met een autochtoon gebeurt zogoed als nooit. Dat fenomeen is een van de grootste remmen op een beter samenleven, want telkens importeert men Nederlandsonkundige partners, die hun kinderen niet in het Nederlands opvoeden, waardoor die met achterstand aan hun schoolloopbaan beginnen, waardoor de emancipatie binnen deze samenleving generatie na generatie opgeschort wordt. Dat probleem aankaarten heeft niets met islamofobie te maken maar alles met een oprechte sociale bekommernis. Het kan immers anders: in Groot-Brittannië wordt vandaag één op de tien kinderen uit een gemengd huwelijk geboren, en Britten van gemengde afkomst zijn de grootste minderheidsgroep geworden, en de levende negatie van het wij-zij-denken.
Of neem de hoofddoek: ik begrijp volledig de argumenten van vele vrienden die voor het verbod zijn, en daar ook een goede redenen voor hebben. Zelf ben ik tegen zo”n verbod, omdat ik vrees dat je de mentaliteit van mensen niet met dwang kunt veranderen, en je op die manier de symbolen alleen maar belangrijker maakt. De hoofddoek is voor mij weliswaar een symbool van de ongelijkheid tussen man en vrouw, maar evengoed ken ik moslimmeisjes die hem alleen dragen omdat hij hun vrijgeleide is om buitenshuis te komen en even verlost te zijn van hun mach-broers. Dat is geen principiële maar een pragmatische vaststelling. Maar ook daarvoor hoort er in een debat plaats te zijn: niet alleen voor de verdediging van het Heilige Grote Gelijk en de Grote Principes, maar ook voor enig wederzijds begrip, mededogen en nuance.
En vooral voor het compromis en de verzoening, waar we in dit land altijd al in geslaagd zijn. Waarom zouden we dat met de islam niet kunnen? We zijn te afhankelijk van elkaar geworden om nog een andere keuze te hebben. Het is tijd om het debat niet langer over te laten aan de makelaars in angst en de producenten van slachtofferschap.
In het debat hoort ook plaats te zijn voor compromis en verzoening, iets waar we
in dit land altijd al in geslaagd zijn. Waarom zouden we dat met de islam niet kunnen?
We zijn te afhankelijk van elkaar geworden
om nog een andere keuze te hebben.
Het verwijt van de islamcritici aan de klassieke linkerzijde – een schuldige naïviteit die veel problemen onder de mantel van de tolerantie heeft geveegd – is terecht, maar de slinger dreigt nu wel door te slaan naar een soort verlichtingsfundamentalisme dat zich ent op tien verzen uit de Koran

De Morgen
Publicatiedatum : 2009-11-14
Sectie : Zeno

.
CD&V en Vlaams Belang tegen toetreding Turkije
dinsdag 21 december 2004
Bron: belga
Auteur:br
BRUSSEL – Met gloed heeft premier Guy Verhofstadt in het Belgisch parlement de beslissing van de Europese Raad om met Turkije te onderhandelen verdedigd. De eerste minister kreeg alleen kritiek uit Vlaamse hoek. Het Vlaams Belang en CD&V-boegbeeld Herman Van Rompuy kantten zich tegen het besluit van de Europese regeringsleiders. Opmerkelijk was ook het pleidooi van het CD&V-kopstuk voor het EU-lidmaatschap van Oekraïne. ,,Als ze het vragen, aldus Van Rompuy, moeten we zeker ja zeggen.”
In het Adviescomité voor Europese aangelegenheden noemde Van Rompuy het een avontuurlijke beslissing om nu reeds met de onderhandelingen te starten. Volgens hem moest de Europese grondwet eerst geratificeerd zijn. Verder had hij het over de kostprijs van de Turkse toetreding. ,,Dat zal geld kosten”, aldus Van Rompuy, ,,en dat hebben de rijke EU-landen er niet voor over.” Het CD&V-kopstuk verwees naar de 6 lidstaten die eisen dat het EU-budget de volgende jaren slechts 1 procent van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) mag bedragen.
Vlaams Belang stoort er zich vooral aan dat Turkije Cyprus nog altijd niet erkent. Verder gebruikte het vele argumenten van Karel Van Miert om de beslissing van de Europese Raad aan te vallen. Zijn interview in De Morgen van vandaag werd uitvoerig geciteerd. Het Vlaams Belang dringt er tenslotte op aan dat er een volksraadpleging over Turkije komt.
Verhofstadt wees er tenslotte op dat elke uitbreiding risico’s inhoudt. Volgens de premier is EU-lidmaatschap de beste manier om de democratie te verankeren. Om die reden werden de voormalige fascistische dictaturen Spanje en Portugal opgenomen en recentelijk de Oosteuropese landen. ,,Het is betekenisvol, aldus Verhofstadt, dat de mensenrechtenorganisaties de krachtigste pleitbezorgers van het Turks EU-lidmaatschap zijn.”
.

Wie, zoals Yves Desmet, een essay van drieduizend vierhonderd vijfendertig woorden begint met .“Het langzaam de kop opstekende islamdebat in dit landje…”, geeft meteen twee zaken te kennen: ten eerste dat hij pas uit een lange slaap is ontwaakt, en ten tweede dat hij graag verkleinwoordjes gebruikt, misschien in de hoop dat hijzelf dan wat groter lijkt.
Wat Desmet verwijt aan diegenen die al een poos hun warme bedje uit zijn gekomen, is dat ze onder het raam van zijn slaapkamer islamieten staan uit te schelden. Zo kan hij niet verder dutten. Heel begrijpelijk.

Zelf is Desmet in het jaar onzes Heeren 2002 ook even klaarwakker geweest, deelt hij ons fier mee:

Dat punt is zeer lang onbespreekbaar geweest, zoals ik zelf mocht ervaren in april 2002, toen ik het, jaren voor de huidige islamcritici zich outten, al had over de problemen van de rot-Marokkaantjes in de grootstad.

Maar Yves moet zijn 3435 woorden met een wat suffe kop geschreven hebben, want in 2002 had hij het niet over “rot-Marokkaantjes” maar over “kutmarokkaantjes”, een scheldterm die hij uit Nederlandse kranten opgevist zal hebben toen –dat woord hadden ze ginds op overschot, en het was er op zijn retour. Onze zevenslaper meent nu dat hij een pionier is geweest, en zijn lezers jaren geleden al wakker heeft geschud.

Ja, journalisten en correct citeren! .Dat zijn aparte werelden. Iets verderop citeert hij niet zichzelf, maar Sami Zemni, een wetenschapper, zoals men politicologen wel eens noemt:

Als mensen van links, zoals Benno Barnard en Wim Van Rooy, beginnen te schrijven dat Philip Dewinter gelijk heeft over de islam, wordt het gevaarlijk.

Volgens slaapdronken Desmet kun je dit aldus samenvatten:

Zoiets hebben Barnard en Vermeersch vooreerst nooit geschreven, en hun islamkritiek meteen gelijkschakelen aan…

Goed, de schuld ligt hier gedeeltelijk bij Barnard, die inderdaad veel schrijft, en dan werk je bij sommigen verwarring in de hand.

Laten we daarom een ander citaat bekijken, dat Yves misschien wél goed heeft:

“Het is merkwaardig”, liet professor Mark Elchardus onlangs optekenen, “hoe mensen die twintig jaar geleden nog migranten waren, en tien jaar geleden allochtonen, nu uitsluitend als moslims worden aangesproken, zonder dat er eigenlijk iets aan hun leefwereld en overtuiging is veranderd.”

Hier zou ik de goede professor er op willen wijzen, dat de meeste waarnemers wel degelijk een verschuiving zien in de overtuigingen en gedragingen van de Maghrebijnen en Turken die zich hier hebben gevestigd. Er is onmiskenbaar sprake van radicalisering, en daar zijn ook redenen voor. Vooreerst is die groep nu veel en veel talrijker dan Desmet ons graag wil laten geloven:

Volgens demografische berekeningen van het Planbureau zal in 2030 ongeveer 5 procent van de Belgische bevolking van Marokkaanse of Turkse oorsprong zijn.

Dit is een manifeste leugen, misschien tot stand gekomen door het trucje met de term “nieuwe Belgen” toe te passen op de kinderen van allochtonen. Die blijven dan netjes buiten de statistieken. In werkelijkheid is het percentage allochtonen vandaag een stuk hoger dan de ridicule 5% van het Planbureau. Als een journalist zulke cijfers al ernstig neemt, wordt een zinnig gesprek moeilijk.
En ten tweede brengt dat mee dat die mensen zich ook als groep gaan opstellen, met groepsrechten, ingaande tegen die van de bestaande maatschappij, en overigens tegen het grondwettelijk gelijkheids-beginsel.

Maar daar blijft het niet bij. Desmet verwijt aan mensen die daadwerkelijk iets hebben gelezen over de islamdat zij over de islam iets gelezen hebben:

Barnard en Vermeersch argumenteren vaak op basis van een exegese van Koranfragmenten. In dat boek vind je inderdaad nogal gruwelijke voorschriften en fragmenten, dat heeft het met het Oude Testament gemeen

Zoals op Desmet na iedereen weet, bevat het Oude Testamenthij zal dat nog niet vaak ter hand genomen hebben, vermoed ik– …bevat het histories en verhalen over wat vroeger was gebeurd. Die vertellingen kunnen inderdaad wreed zijn. Maar voorschriften zijn het niét, en dat is het verschil met de korandie Yves evenmin al vaak heeft gezien, vermoed ik.
In de koran namelijk, zijn zulke wreedheden gedragsregels, geboden, voorschriften. En die worden ook opgevolgd, niet in de eerste plaats door de achterlijke islamieten in hun thuislanden (dar al islam), maar wel door diegenen die in het Westen (dar al harb: het huis van de oorlog) een opleiding genoten hebben. Misschien kan de brave Elchardus hier ten behoeve van Yves wel een illustratie geven? al zal hij dan noodgedwongen over een gedragsverandering bij de islamieten moeten spreken.

God! Desmet is te repetitief om hem volledig onder handen te nemen, en om hem ernstig te nemen is hij te slordig.
Wat moet je als lezer bijvoorbeeld denken, als je hem naïef ziet schrijven:

De moslimcultuur rond het Alhambra was in de vroege middeleeuwen de meest vooruitstrevende en open samenleving die er destijds bestond, en het katholicisme was niet zo lang daarna verantwoordelijk voor de inquisitie.

Dat die mooie en verdraagzame cultuur van Andalusië enkel een vroom XVIIIde E.’s verzinsel is, weet ongeveer iedereen die al eens een boek heeft gelezen dat niet van Lucas Catherine afkomstig is.

Maar dat de Vroege Middeleeuwen zó laat vielen, wist werkelijk nog niemand.

Het is moeilijk praten met iemand die de betekenis van zijn eigen termen niet snapt.

.

Volgende Pagina »