.

Alles en iedereen leest. De huurkoetsier op zijn bok haalt een boek uit zijn tas van zodra zijn klant is uitgestapt; de fruitverkoopster laat zich de Constitutionnel voorlezen door haar buurvrouw, en de portier leest alle bladen die voor de vreemde gasten in het hotel worden afgegeven. De echte abonnee mag elke ochtend weer bellen dat zijn armen lam worden, de portier brengt hem zijn blad niet eerder dan dat hij het zelf heeft gelezen.

Voor een genreschilder is er geen rijker aanblik voorhanden dan de tuin van het Palais Royal in de voormiddag. Duizend mensen houden daar een krant in de hand en vertonen daarbij de meest ver-scheidene posities en bewegingen. De een zit, de andere staat, een derde stapt, nu eens langzaam, dan weer met versnelde pas. Plots trekt een bericht sterker zijn aandacht, hij vergeet zijn tweede voet neer te zetten, en voor de tijd van enkele seconden staat hij als een pilaarheilige op één been. Sommigen staan tegen een boom geleund, anderen tegen de balustrades die de bloemperken afzomen, nog anderen tegen de pijlers van de arcaden. De slagersknecht wist zijn bebloede handen schoon, om geen rode vlekken op de krant te laten, en de pasteiventer laat de koeken koud worden bij zijn lectuur.
Als op een dag Parijs op dezelfde manier ten onder zou gaan als Herculanum en Pompeii zijn ondergegaan, en men groef het Palais Royal en de mensen daar weer op, en men vond ze in dezelfde houding waarin zij door de dood waren verrast – de papieren in hun handen waren tot stof vergaan – dan zouden archeologen zich de kop breken over wat al die mensen daar precies aan het uitrichten waren toen de lava hen overdekte. Een markt was er niet, een theater evenmin, dat blijkt uit de plek. Geen bijzonder schouwspel had hun aandacht getrokken, want de koppen stonden in verschillende richtingen, en de blikken waren naar de aarde gebogen.
Wat waren die toch aan het doen?. zullen zij vragen, en geen van hen zal het antwoord geven:. zij waren de krant aan het lezen.


Ludwig Börne

Schilderungen aus Paris (1822 und 1823)
X. Die Lesekabinette

Gesammelte Schriften
Vollständige Ausgabe in sechs Bänden
nebst Anhang in zwei Bänden
Leipzig, Max Hesse Verlag, um 1900-1905

Zweiter Band, SS. 40-41

.

.

Eén keer verlichting staat op 49 euro, menselijkheid inbegrepen:
De Dalai Lama schenkt zijn vrolijkheid vier dagen aan Frankfort.

Jan Grossarth

Waar anders het doel staat, heeft nu Zijne Heiligheid plaatsgenomen. Op de bühne in het voetbalstadion van Frankfort zit, in kleermakerszit gehurkt in een fauteuil, de veertiende incarnatie van de Dalai Lama. Rondom hem op het podium, zitten drie professoren in tenue. Met de benen gekruist spreken zij over hun geliefkoosde thema’s: de klimaatvorser Mojib Latif over de klimaatmaatregelen, over de interest spreekt de ethicus-economist Karl-Heinz Brodbeck en over het gegarandeerde basisinkomen de ondernemer Götz Werner. De Dalai Lama geeuwt. Hij wiebelt met zijn bovenlijf heen en weer. Götz Werner onderbreekt de meditatie: “Het was misschien het moment, om eens aan Zijne Heiligheid te vragen, wat hij vond van de idee van een basisinkomen.”

Tot en met zondag heeft de Dalai Lama vier dagen zijn optreden gedaan in de Commerzbank-Arena van Frankfort. Per dag kwamen er zo’n tienduizend mensen – niet meer dus dan kortgeleden nog voor de wedstrijden van de tweedeklasserploeg FSV Frankfurt. “Uitweg en Hoop” staat de zaterdag op het program. Dat past mooi in deze tijd, maar ook al is het crisis, en bijgevolg hoogconjunctuur voor de zoekers naar zingeving, toch zijn er wat minder bezoekers opgekomen dan twee jaar terug voor de masterclasses van de Dalai Lama in Hamburg. Nu waren de kaartjes ook niet echt goedkoop: negenenveertig euro voor één dag, honderd vijfentwintig voor de vier dagen samen.

Ja, en wat vindt Zijne Heiligheid van een onvoorwaardelijk basisinkomen, een idee waar de mensen in India en Tibet misschien minder vertrouwd mee zijn dan hier te lande? De Lama zegt: “Ik weet het niet. Ik ben nu meer in de war dan daarnet. Niets in het leven kan enkel positief zijn, want er zijn ook altijd negatieve bijwerkingen.” Plots schiet hij in een luide lach, en de mensen lachen met hem mee. Een toehoorster, die zojuist nog applaudisseerde voor het basisinkomen, slaakt een kort gilletje van vervoering bij deze heilige eerlijkheid. Zij perst haar handpalmen op elkaar, ten teken van boeddhistische zegening.

Overal in en rond het stadion ruikt het naar wierookstokjes, al is er nergens een te zien. Nadat in het eerste podiumgesprek de ontbossing, de interest en de overmatige vleesproductie gehekeld waren, werden er in de persruimte gehaktballetjes aangeboden op wegwerpbordjes, en cola in kartonnen bekertjes, waarbij te hopen valt dat de drie inrichtende boeddhistische verenigingen zich niet op de kapitaalmarkt in de schulden hebben gewerkt: zaterdag nog was de 1,6 miljoen euro kostende organisatie deficitair. Het hoge bezoek is nu eenmaal geen commerciële aangelegenheid en ook geen wereldjongerendag. De gemiddelde leeftijd ligt wellicht tien jaar onder die van een katholieke Zondagsmis. De deelnemers doen denken aan andere hoogmissen van de menselijkheid, zoals biologische kankercongressen of antroposofenbijeenkomsten, waar onzekere mensen naar voorbeelden op zoek gaan, die hen kunnen sterken in hun vermoeden dat er een spirituele werkelijkheid moet bestaan naast de materiële.

Elke morgen weer houdt de Dalai Lama een begroetingsrede. Zaterdag wil een presentator daarop nog de bezoekers welkom heten, maar als hij het leidmotto wil noemen overvalt hem een blackout. Hij kijkt op zijn spiekbriefje: “Ach ja: één wereld, één idee, één hart.” Kort daarop vergeet ook de Dalai Lama het thema, en laat hij zich door een monnik die schuin achter hem zit dit in het oor fluisteren. “One world? Yes. One heart, one mind – hm, I don’t know.” Hij lacht om zijn eigen bescheidenheid: “Er zijn er die mij God-koning noemen, anderen noemen mij een demon. Maar ik ben tenslotte ook gewoon een mens.” Zijn stem schiet piepend de hoogte in en galmt lang na in de Arena. De toehoorders applaudisseren.

De Dalai Lama zegt dat het “fundamentele niveau” van de mens, voor hem dat van de menselijkheid is, en van de naastenliefde; dat niveau was het belangrijkste, belangrijker dan secundaire, of nog verdere niveaus waar bijvoorbeeld de religie haar plaats had. Op dit fundamentele niveau heerst er in de Arena de grootste harmonie, en de gnuivende Heilige is een prima projectiescherm voor humanisten, socialisten, sympathisanten van onderdrukte volkeren en christenen voor wie de Paus te intolerant en te veeleisend is. Over het secundaire niveau wordt niet gediscussieerd. Wellicht is dat allemaal één groot misverstand.

“Ik wil eindelijk daden zien”, roept de klimaatvorser – applaus. Zijne Heiligheid zegt over de klimaatpolitiek: “Misschien sterft straks de wereld, misschien brandt de zon binnenkort niet meer, en dan is dat gewoon de realiteit. Maar tot zolang moeten wij zo gelukkig zijn als mogelijk.” Applaus. De Lama wuift de menigte toe, wat de harmonie hernieuwd de hoogte injaagt. Hij zegt: “Geestelijk welzijn zal nooit met een machine geproduceerd kunnen worden.”

Aan het eind van de discussie legt de Dalai Lama de professoren witte sjaals om de hals, een paar honderd bezoekers lopen voor het podium en maken foto’s, een vrouw in een geel T-shirt prevelt: “Dit is de beste mens van heel de wereld.” De Dalai Lama neemt zich (op het fundamentele niveau) niet zo ernstig, neemt de politiek en de intellectuelen niet ernstig, hij lacht en predikt menselijkheid en weet de harten te raken.

De professoren kletsen, in hun midden geeuwt de lachende infantiele Godmens. Ja, God is misschien wel een clown?
F.A.Z., 03.08.2009, Nr. 177 / Seite 27
.

.

Eén keer verlichting staat op 49 euro, menselijkheid inbegrepen:
De Dalai Lama schenkt zijn vrolijkheid vier dagen aan Frankfort.

Jan Grossarth

Waar anders het doel staat, heeft nu Zijne Heiligheid plaatsgenomen. Op de bühne in het voetbalstadion van Frankfort zit, in kleermakerszit gehurkt in een fauteuil, de veertiende incarnatie van de Dalai Lama. Rondom hem op het podium, zitten drie professoren in tenue. Met de benen gekruist spreken zij over hun geliefkoosde thema’s: de klimaatvorser Mojib Latif over de klimaatmaatregelen, over de interest spreekt de ethicus-economist Karl-Heinz Brodbeck en over het gegarandeerde basisinkomen de ondernemer Götz Werner. De Dalai Lama geeuwt. Hij wiebelt met zijn bovenlijf heen en weer. Götz Werner onderbreekt de meditatie: “Het was misschien het moment, om eens aan Zijne Heiligheid te vragen, wat hij vond van de idee van een basisinkomen.”

Tot en met zondag heeft de Dalai Lama vier dagen zijn optreden gedaan in de Commerzbank-Arena van Frankfort. Per dag kwamen er zo’n tienduizend mensen – niet meer dus dan kortgeleden nog voor de wedstrijden van de tweedeklasserploeg FSV Frankfurt. “Uitweg en Hoop” staat de zaterdag op het program. Dat past mooi in deze tijd, maar ook al is het crisis, en bijgevolg hoogconjunctuur voor de zoekers naar zingeving, toch zijn er wat minder bezoekers opgekomen dan twee jaar terug voor de masterclasses van de Dalai Lama in Hamburg. Nu waren de kaartjes ook niet echt goedkoop: negenenveertig euro voor één dag, honderd vijfentwintig voor de vier dagen samen.

Ja, en wat vindt Zijne Heiligheid van een onvoorwaardelijk basisinkomen, een idee waar de mensen in India en Tibet misschien minder vertrouwd mee zijn dan hier te lande? De Lama zegt: “Ik weet het niet. Ik ben nu meer in de war dan daarnet. Niets in het leven kan enkel positief zijn, want er zijn ook altijd negatieve bijwerkingen.” Plots schiet hij in een luide lach, en de mensen lachen met hem mee. Een toehoorster, die zojuist nog applaudisseerde voor het basisinkomen, slaakt een kort gilletje van vervoering bij deze heilige eerlijkheid. Zij perst haar handpalmen op elkaar, ten teken van boeddhistische zegening.

Overal in en rond het stadion ruikt het naar wierookstokjes, al is er nergens een te zien. Nadat in het eerste podiumgesprek de ontbossing, de interest en de overmatige vleesproductie gehekeld waren, werden er in de persruimte gehaktballetjes aangeboden op wegwerpbordjes, en cola in kartonnen bekertjes, waarbij te hopen valt dat de drie inrichtende boeddhistische verenigingen zich niet op de kapitaalmarkt in de schulden hebben gewerkt: zaterdag nog was de 1,6 miljoen euro kostende organisatie deficitair. Het hoge bezoek is nu eenmaal geen commerciële aangelegenheid en ook geen wereldjongerendag. De gemiddelde leeftijd ligt wellicht tien jaar onder die van een katholieke Zondagsmis. De deelnemers doen denken aan andere hoogmissen van de menselijkheid, zoals biologische kankercongressen of antroposofenbijeenkomsten, waar onzekere mensen naar voorbeelden op zoek gaan, die hen kunnen sterken in hun vermoeden dat er een spirituele werkelijkheid moet bestaan naast de materiële.

Elke morgen weer houdt de Dalai Lama een begroetingsrede. Zaterdag wil een presentator daarop nog de bezoekers welkom heten, maar als hij het leidmotto wil noemen overvalt hem een blackout. Hij kijkt op zijn spiekbriefje: “Ach ja: één wereld, één idee, één hart.” Kort daarop vergeet ook de Dalai Lama het thema, en laat hij zich door een monnik die schuin achter hem zit dit in het oor fluisteren. “One world? Yes. One heart, one mind – hm, I don’t know.” Hij lacht om zijn eigen bescheidenheid: “Er zijn er die mij God-koning noemen, anderen noemen mij een demon. Maar ik ben tenslotte ook gewoon een mens.” Zijn stem schiet piepend de hoogte in en galmt lang na in de Arena. De toehoorders applaudisseren.

De Dalai Lama zegt dat het “fundamentele niveau” van de mens, voor hem dat van de menselijkheid is, en van de naastenliefde; dat niveau was het belangrijkste, belangrijker dan secundaire, of nog verdere niveaus waar bijvoorbeeld de religie haar plaats had. Op dit fundamentele niveau heerst er in de Arena de grootste harmonie, en de gnuivende Heilige is een prima projectiescherm voor humanisten, socialisten, sympathisanten van onderdrukte volkeren en christenen voor wie de Paus te intolerant en te veeleisend is. Over het secundaire niveau wordt niet gediscussieerd. Wellicht is dat allemaal één groot misverstand.

“Ik wil eindelijk daden zien”, roept de klimaatvorser – applaus. Zijne Heiligheid zegt over de klimaatpolitiek: “Misschien sterft straks de wereld, misschien brandt de zon binnenkort niet meer, en dan is dat gewoon de realiteit. Maar tot zolang moeten wij zo gelukkig zijn als mogelijk.” Applaus. De Lama wuift de menigte toe, wat de harmonie hernieuwd de hoogte injaagt. Hij zegt: “Geestelijk welzijn zal nooit met een machine geproduceerd kunnen worden.”

Aan het eind van de discussie legt de Dalai Lama de professoren witte sjaals om de hals, een paar honderd bezoekers lopen voor het podium en maken foto’s, een vrouw in een geel T-shirt prevelt: “Dit is de beste mens van heel de wereld.” De Dalai Lama neemt zich (op het fundamentele niveau) niet zo ernstig, neemt de politiek en de intellectuelen niet ernstig, hij lacht en predikt menselijkheid en weet de harten te raken.

De professoren kletsen, in hun midden geeuwt de lachende infantiele Godmens. Ja, God is misschien wel een clown?
F.A.Z., 03.08.2009, Nr. 177 / Seite 27
.
.

Atal Bihari Vajpayee is een stokoude maar in zijn land zeer geziene dichter. Zijn naam zal u misschien weinig zeggen, maar deze man was een tijdlang ook minister-president van India. Trouwens nog een andere Indiase premier, Shri Vishwanath Pratap Singh, vorig jaar gestorven, stond als dichter bekend. Deze Shri Singh schilderde bovendien.

Goed, dat is het magische Indië, maar eerste ministers die tegelijk artiest of dichter zijn, komen meer voor dan iemand zou denken.
Om even in Azië te blijven, en meer bepaald in Turkije: hun premier Bülent Ecevit, in 2006 gestorven, was naar het schijnt ook een verdienstelijke poëet.
En destijds in Afrika hadden we Léopold Sédar Senghor, president van Senegal, uitvinder van het begrip négritude, maar tegelijk ook auteur van enkele dichtbundels met mooie titels als Hosties Noires, Chants d’ombre &c.
Er komen mij niet direct andere continenten voor de geest, maar mocht iemand er nog een willen noemen, dan zou dat van de Peruaan Mario Vargas Llosa een slecht voorbeeld zijn – ten eerste omdat die Llosa nooit president of eerste minister is geweest, en ten tweede omdat hij geloof ik geen verzen schrijft.
Dichter bij ons, in Europa, zijn er wel goede voorbeelden. De Britse premier John Major heeft in de loop der jaren voor een behoorlijk pak verzen gezorgd. Ik twijfel echter of wij hem hier in dit verband voor vol mogen rekenen, want zoals John zelf zei, schreef hij zijn gedichtjes enkel “to combat stress”, en dat diskwalificeert hem toch min of meer, zeker als we weten dat Robert Graves bezwoer dat bij een ware dichter de haren juist ten berge horen te rijzen.*
Václav Havel integendeel mag zeker vermeld worden, want hij maakte meer dan een half dozijn dichtbundels, zij het met titels die wij niet kunnen verstaan.

Nog dichter bij huis hebben we natuurlijk Achiel Van Acker, en laten wij misschien even in het gezelschap van deze man vertoeven.

Ik bezit een bundeltje van hem, twintig fraai gedrukte pagina’s, en mijn exemplaar bevat ook een geschreven opdracht: Aan Mej. Maria Rosseels, van harte, A. Van Acker, jaareinde 1962. Ik geef pagina één:

G
ebeden van gebeiteld steen,
Zo rijzen torens om ons heen;
Waarom ze bidden weet niet een.
Drie sterren aan de hemeltrans,
Drie sterren zenden ons hun glans,
Drie sterren bieden ons een kans;
Fortuna schenkt ons mild een blik.
Hij, gij, ik.

Gebeden van gebeiteld steen,
Zo rijzen torens om ons heen;
Misschien is hun gebed er een
Als dit der eindeloze zee
Of van de mens een stille bee,
Het hart vol liefde voor de vree.
Gestameld, twijfelend geklik.
Tik, tak, tik.

Alle twintig gedichtjes eindigen met dezelfde regels Hij, gij, ik en Tik, tak, tik. Een gedurfd procedé, zeker als wij in aanmerking nemen dat het voor een Bruggeling niet meevalt om telkens weer die Hij, gij, ik voor te moeten dragen.

Zelfs komt de eerder genoemde combinatie premier-dichter-schilder hier voor – natuurlijk hoogstens af en toe, maar denken wij aan de jonge Eyskens.

Vandaag hebben wij in ons land misschien niet echt een regering, maar toch zeker een premier, en al schildert die niet, dichten doet hij wel. Herman Van Rompuy maakt evenwel geen echte verzen zoals zijn illustere voorgangers, maar haiku’s, onberijmde observaties met enkel een vast aantal lettergrepen per regel. Vijf, zeven, en weer vijf. Het zou nochtans verkeerd zijn om hier van een dichtkunst voor boekhouders te spreken, zoals Heine eens deed. Ik geef een voorbeeldje:

.
Tijd
Het leven is varen
op de zee van de tijd maar
alleen de zee blijft.

Het lijkt mij een verstandige beslissing van onze laatste premier, om niet voor het rijm te kiezen. Hij vermijdt op die manier wat Goethe overkwam.

Goethe had uit de handen van zijn vorst de functie van Geheimrat aanvaard, geen premier dus, maar misschien in de verte vergelijkbaar met minister van Cultuur.
Nu had de gezagsgetrouwe minister Goethe niet enkel vrienden, maar ook vijanden. Dezelfde Heine bijvoorbeeld noemde hem: .“een grote man in een zijden rok”.
Niet kwaad, maar de omschrijving van de journalist en criticus Ludwig Börne** vind ik nog grappiger.
Die noemde Goethe: .“de rijmende knecht”.

__________________

* Graves wilde er wel eens lelijk tegenaan gaan: The reason why the hairs stand on end, the eyes water, the throat is constricted, the skin crawls and a shiver runs down the spine when one writes or reads a true poem is that a true poem is necessarily an invocation of the White Goddess, or Muse, the Mother of All Living, the ancient power of fright and lust – the female spider or the queen-bee whose embrace is death.

The White Goddess
A historical grammar of poetic myth
by Robert Graves
amended and enlarged edition
London, Boston,1961, Faber and Faber

** Ludwig Börne (Löw Baruch) was misschien de bekendste politieke journalist van het begin van de XIXde E. Volgens wijlen Martin van Amerongen moest je hem zelfs politicus noemen, niet journalist.
In 1818 begon hij in Frankfurt met het tijdschrift Die Wage, maar al na drie jaar hadden de autoriteiten er genoeg van en verboden ze het blad. In 1830 ging Börne naar Parijs, enthousiast als hij was over de Julirevolutie, en, consequent als hij was gaf hij daar een tijdlang La Balance uit.

.
.

Atal Bihari Vajpayee is een stokoude maar in zijn land zeer geziene dichter. Zijn naam zal u misschien weinig zeggen, maar deze man was een tijdlang ook minister-president van India. Trouwens nog een andere Indiase premier, Shri Vishwanath Pratap Singh, vorig jaar gestorven, stond als dichter bekend. Deze Shri Singh schilderde bovendien.

Goed, dat is het magische Indië, maar eerste ministers die tegelijk artiest of dichter zijn, komen meer voor dan iemand zou denken.
Om even in Azië te blijven, en meer bepaald in Turkije: hun premier Bülent Ecevit, in 2006 gestorven, was naar het schijnt ook een verdienstelijke poëet.
En destijds in Afrika hadden we Léopold Sédar Senghor, president van Senegal, uitvinder van het begrip négritude, maar tegelijk ook auteur van enkele dichtbundels met mooie titels als Hosties Noires, Chants d’ombre &c.
Er komen mij niet direct andere continenten voor de geest, maar mocht iemand er nog een willen noemen, dan zou dat van de Peruaan Mario Vargas Llosa een slecht voorbeeld zijn – ten eerste omdat die Llosa nooit president of eerste minister is geweest, en ten tweede omdat hij geloof ik geen verzen schrijft.
Dichter bij ons, in Europa, zijn er wel goede voorbeelden. De Britse premier John Major heeft in de loop der jaren voor een behoorlijk pak verzen gezorgd. Ik twijfel echter of wij hem hier in dit verband voor vol mogen rekenen, want zoals John zelf zei, schreef hij zijn gedichtjes enkel “to combat stress”, en dat diskwalificeert hem toch min of meer, zeker als we weten dat Robert Graves bezwoer dat bij een ware dichter de haren juist ten berge horen te rijzen.*
Václav Havel integendeel mag zeker vermeld worden, want hij maakte meer dan een half dozijn dichtbundels, zij het met titels die wij niet kunnen verstaan.

Nog dichter bij huis hebben we natuurlijk Achiel Van Acker, en laten wij misschien even in het gezelschap van deze man vertoeven.

Ik bezit een bundeltje van hem, twintig fraai gedrukte pagina’s, en mijn exemplaar bevat ook een geschreven opdracht: Aan Mej. Maria Rosseels, van harte, A. Van Acker, jaareinde 1962. Ik geef pagina één:

G
ebeden van gebeiteld steen,
Zo rijzen torens om ons heen;
Waarom ze bidden weet niet een.
Drie sterren aan de hemeltrans,
Drie sterren zenden ons hun glans,
Drie sterren bieden ons een kans;
Fortuna schenkt ons mild een blik.
Hij, gij, ik.

Gebeden van gebeiteld steen,
Zo rijzen torens om ons heen;
Misschien is hun gebed er een
Als dit der eindeloze zee
Of van de mens een stille bee,
Het hart vol liefde voor de vree.
Gestameld, twijfelend geklik.
Tik, tak, tik.

Alle twintig gedichtjes eindigen met dezelfde regels Hij, gij, ik en Tik, tak, tik. Een gedurfd procedé, zeker als wij in aanmerking nemen dat het voor een Bruggeling niet meevalt om telkens weer die Hij, gij, ik voor te moeten dragen.

Zelfs komt de eerder genoemde combinatie premier-dichter-schilder hier voor – natuurlijk hoogstens af en toe, maar denken wij aan de jonge Eyskens.

Vandaag hebben wij in ons land misschien niet echt een regering, maar toch zeker een premier, en al schildert die niet, dichten doet hij wel. Herman Van Rompuy maakt evenwel geen echte verzen zoals zijn illustere voorgangers, maar haiku’s, onberijmde observaties met enkel een vast aantal lettergrepen per regel. Vijf, zeven, en weer vijf. Het zou nochtans verkeerd zijn om hier van een dichtkunst voor boekhouders te spreken, zoals Heine eens deed. Ik geef een voorbeeldje:

.
Tijd
Het leven is varen
op de zee van de tijd maar
alleen de zee blijft.

Het lijkt mij een verstandige beslissing van onze laatste premier, om niet voor het rijm te kiezen. Hij vermijdt op die manier wat Goethe overkwam.

Goethe had uit de handen van zijn vorst de functie van Geheimrat aanvaard, geen premier dus, maar misschien in de verte vergelijkbaar met minister van Cultuur.
Nu had de gezagsgetrouwe minister Goethe niet enkel vrienden, maar ook vijanden. Dezelfde Heine bijvoorbeeld noemde hem: .“een grote man in een zijden rok”.
Niet kwaad, maar de omschrijving van de journalist en criticus Ludwig Börne** vind ik nog grappiger.
Die noemde Goethe: .“de rijmende knecht”.

__________________

* Graves wilde er wel eens lelijk tegenaan gaan: The reason why the hairs stand on end, the eyes water, the throat is constricted, the skin crawls and a shiver runs down the spine when one writes or reads a true poem is that a true poem is necessarily an invocation of the White Goddess, or Muse, the Mother of All Living, the ancient power of fright and lust – the female spider or the queen-bee whose embrace is death.

The White Goddess
A historical grammar of poetic myth
by Robert Graves
amended and enlarged edition
London, Boston,1961, Faber and Faber

** Ludwig Börne (Löw Baruch) was misschien de bekendste politieke journalist van het begin van de XIXde E. Volgens wijlen Martin van Amerongen moest je hem zelfs politicus noemen, niet journalist.
In 1818 begon hij in Frankfurt met het tijdschrift Die Wage, maar al na drie jaar hadden de autoriteiten er genoeg van en verboden ze het blad. In 1830 ging Börne naar Parijs, enthousiast als hij was over de Julirevolutie, en, consequent als hij was gaf hij daar een tijdlang La Balance uit.

.
.

Met mijn honderdduizendste lezer wil ik graag een glas heffen!

Dat hij/zij zich ten spoedigste kenbaar wille maken!

.

Het Westen en het Oosten kunnen elkaar maar moeilijk begrijpen, zo begint Oscar van den Boogaard zijn columnpje in De Standaard vandaag, en er zit veel waarheid in die woorden.
Kipling had een dergelijke gedachte eerder. Hij formuleerde die misschien zelfs nog krachtiger en mooier met: Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet, maar wij moeten bedenken dat Kipling een dichter was, en dat tenslotte zelfs in halfbakken vorm een waarheid een waarheid blijft, en dus herhaald mag worden.
Laten we eens kijken wat Oscar verder nog weet over het Oosten en het Westen:

In Europa gaan steeds meer stemmen op voor een verbod van de islamitische sluier die de vrouw van top tot teen omzwachtelt. Het zou een mobiele gevangenis zijn. Een teken van onderdrukking. Een belediging voor de waardigheid van de vrouw. Maar is een verbod niet strijdig met het principe van individuele vrijheid? En zou een gesluierde vrouw niet net zo goed kunnen menen dat het westerse ideaalbeeld van de vrouw een keurslijf is dat zij gedwongen is aan te trekken. Onder de boerka’s, niqabs en sluiers beleven vrouwen misschien juist een opvallende vrijheid. Ze hoeven zich onder hun mantel van liefde in ieder geval niet te schamen voor dikke benen, brede heupen en hangtieten en ze kunnen denken wat ze willen.

Ja, omzwachtelen klinkt wat mooiig, en zeker ook maniëristischer dan gewoon inpakken of verpakken, maar daar is Oscar eenmaal ook Literator voor.
Ook mooi vind ik, dat hij zijn twijfels zo eerlijk onder woorden brengt: misschien juist een opvallende vrijheid beleven. En dat hij de conditionalis of voorwaardelijke wijs zo vlot weet aan te wenden: de boerka zou een mobiele gevangenis zijn &c., .zelfs al gebruikt hij deze wijs enkel voor “Oosterse” vrouwen, terwijl de Westerse vrouw wel degelijk in de indicatief, de aantonende of stellende wijs “gedwongen is”, volgens hem.

Lezer!. ik zal niet heel de tekst van onze Oscar op deze manier bespreken, want daar is de man te langdradig en dweperig en slap voor, en hij heeft hier op dit blog tenslotte al vaak genoeg de eer gehad.
Toch nog een kleinigheid: Oscar meldt ons dat hij een interessant boek gelezen heeft, over harems, en dat daarin nog maar eens bewezen wordt – hoe onnoemelijk onwetend het Westen wel is.
Kunstenaars als Ingres, Delacroix of Matisse mogen dan met plezier haremvrouwen geschilderd hebben, zij gaven ons toch een verkeerd beeld van dat verschijnsel.
De westerse man projecteert in de haremvrouw inschikkelijkheid en de bereidwilligheid van vrouwen om te gehoorzamen.

Hoeveel interessanter zijn niet moslimmannen!
Mannelijke moslimkunstenaars zien de haremvrouwen geheel anders en hebben hen vanaf de achtste eeuw altijd voorgesteld als ruiters op snelle paarden, gewapend met pijl en boog en gekleed in zware mantels. Vrouwen zijn voor hen zelfbewuste vechtersbazen die heel goed weten wat ze zelf verlangen.

Goed, vrouwen –verpakt of onverpakt– zijn zoals men in Gent zegt, Oscar zijne rayon nie. Al belet deze omstandigheid hem niet om verrassenderwijs ook over het vrouwelijk orgasme zijn licht te werpen.
En zeker, enige afstand van het onderwerp kan bij theoretische beschouwingen geen kwaad, soms zelfs een voordeel opleveren, en over het vrouwelijke orgasme is al te veel verteld, ook als het laatste woord nog niet is gevallen. Moeten wij bijvoorbeeld zonder meer aannemen, enkel omdat die man dichter bij zijn onderwerp stond, wat Georges Brassens daarover zong?

Quatre-vingt-quinze fois pour cent,
la femme s’emmerde en baisant.

Laten wij zeggen dat kwantificeren, zeker bij dit soort van onderwerpen, altijd een hachelijke zaak blijft. Maar Oscars gedachten hieromtrent –al worden zij nergens vulgair, of zelfs maar te precies– kunt u, bezoeker, misschien toch beter bij de auteur zelf nalezen.

Een klein minpuntje, voor mij toch, is bij Oscars betoog – dat hij nogal in mineur besluit:
Aan al deze misverstanden moet ik denken als ik gesluierde vrouwen op straat zie lopen en niet in de ogen kan kijken. Ik weet niet of ze wel zo onderdrukt, ongeëmancipeerd en ongelukkig zijn als westerlingen geneigd zijn te denken.
Zolang ze zwijgen zullen we dat in ieder geval niet weten.

Ik wil het natuurlijk niet hebben over die minuscule grammaticale onachtzaamheid van onze columnist-auteur-dichter-librettist. Op zijn uitstekende gebruik van de werkwoordsvormen wees ik al, en dan plots, aan het eind bijna toch nog die foute ellips, waar in één enkel zinsdeel de vrouwen tegelijk lijdend voorwerp zijn, en meewerkend voorwerp.
Te zeggen dat met een kleine toevoeging, zoals “hen niet in de ogen”, of sierlijker nog “haar niet in de ogen kan kijken”, dit probleempje zó was opgelost
Spijtig, dat wel, maar zulke kleine smet is onbetekenend als wij de allerlaatste zin van Oscar zien. Die is zodanig grappig, dat er niet meteen iemand zal opstaan om hem te verbeteren.

.

Het Westen en het Oosten kunnen elkaar maar moeilijk begrijpen, zo begint Oscar van den Boogaard zijn columnpje in De Standaard vandaag, en er zit veel waarheid in die woorden.
Kipling had een dergelijke gedachte eerder. Hij formuleerde die misschien zelfs nog krachtiger en mooier met: Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet, maar wij moeten bedenken dat Kipling een dichter was, en dat tenslotte zelfs in halfbakken vorm een waarheid een waarheid blijft, en dus herhaald mag worden.
Laten we eens kijken wat Oscar verder nog weet over het Oosten en het Westen:

In Europa gaan steeds meer stemmen op voor een verbod van de islamitische sluier die de vrouw van top tot teen omzwachtelt. Het zou een mobiele gevangenis zijn. Een teken van onderdrukking. Een belediging voor de waardigheid van de vrouw. Maar is een verbod niet strijdig met het principe van individuele vrijheid? En zou een gesluierde vrouw niet net zo goed kunnen menen dat het westerse ideaalbeeld van de vrouw een keurslijf is dat zij gedwongen is aan te trekken. Onder de boerka’s, niqabs en sluiers beleven vrouwen misschien juist een opvallende vrijheid. Ze hoeven zich onder hun mantel van liefde in ieder geval niet te schamen voor dikke benen, brede heupen en hangtieten en ze kunnen denken wat ze willen.

Ja, omzwachtelen klinkt wat mooiig, en zeker ook maniëristischer dan gewoon inpakken of verpakken, maar daar is Oscar eenmaal ook Literator voor.
Ook mooi vind ik, dat hij zijn twijfels zo eerlijk onder woorden brengt: misschien juist een opvallende vrijheid beleven. En dat hij de conditionalis of voorwaardelijke wijs zo vlot weet aan te wenden: de boerka zou een mobiele gevangenis zijn &c., .zelfs al gebruikt hij deze wijs enkel voor “Oosterse” vrouwen, terwijl de Westerse vrouw wel degelijk in de indicatief, de aantonende of stellende wijs “gedwongen is”, volgens hem.

Lezer!. ik zal niet heel de tekst van onze Oscar op deze manier bespreken, want daar is de man te langdradig en dweperig en slap voor, en hij heeft hier op dit blog tenslotte al vaak genoeg de eer gehad.
Toch nog een kleinigheid: Oscar meldt ons dat hij een interessant boek gelezen heeft, over harems, en dat daarin nog maar eens bewezen wordt – hoe onnoemelijk onwetend het Westen wel is.
Kunstenaars als Ingres, Delacroix of Matisse mogen dan met plezier haremvrouwen geschilderd hebben, zij gaven ons toch een verkeerd beeld van dat verschijnsel.
De westerse man projecteert in de haremvrouw inschikkelijkheid en de bereidwilligheid van vrouwen om te gehoorzamen.

Hoeveel interessanter zijn niet moslimmannen!
Mannelijke moslimkunstenaars zien de haremvrouwen geheel anders en hebben hen vanaf de achtste eeuw altijd voorgesteld als ruiters op snelle paarden, gewapend met pijl en boog en gekleed in zware mantels. Vrouwen zijn voor hen zelfbewuste vechtersbazen die heel goed weten wat ze zelf verlangen.

Goed, vrouwen –verpakt of onverpakt– zijn zoals men in Gent zegt, Oscar zijne rayon nie. Al belet deze omstandigheid hem niet om verrassenderwijs ook over het vrouwelijk orgasme zijn licht te werpen.
En zeker, enige afstand van het onderwerp kan bij theoretische beschouwingen geen kwaad, soms zelfs een voordeel opleveren, en over het vrouwelijke orgasme is al te veel verteld, ook als het laatste woord nog niet is gevallen. Moeten wij bijvoorbeeld zonder meer aannemen, enkel omdat die man dichter bij zijn onderwerp stond, wat Georges Brassens daarover zong?

Quatre-vingt-quinze fois pour cent,
la femme s’emmerde en baisant.

Laten wij zeggen dat kwantificeren, zeker bij dit soort van onderwerpen, altijd een hachelijke zaak blijft. Maar Oscars gedachten hieromtrent –al worden zij nergens vulgair, of zelfs maar te precies– kunt u, bezoeker, misschien toch beter bij de auteur zelf nalezen.

Een klein minpuntje, voor mij toch, is bij Oscars betoog – dat hij nogal in mineur besluit:
Aan al deze misverstanden moet ik denken als ik gesluierde vrouwen op straat zie lopen en niet in de ogen kan kijken. Ik weet niet of ze wel zo onderdrukt, ongeëmancipeerd en ongelukkig zijn als westerlingen geneigd zijn te denken.
Zolang ze zwijgen zullen we dat in ieder geval niet weten.

Ik wil het natuurlijk niet hebben over die minuscule grammaticale onachtzaamheid van onze columnist-auteur-dichter-librettist. Op zijn uitstekende gebruik van de werkwoordsvormen wees ik al, en dan plots, aan het eind bijna toch nog die foute ellips, waar in één enkel zinsdeel de vrouwen tegelijk lijdend voorwerp zijn, en meewerkend voorwerp.
Te zeggen dat met een kleine toevoeging, zoals “hen niet in de ogen”, of sierlijker nog “haar niet in de ogen kan kijken”, dit probleempje zó was opgelost
Spijtig, dat wel, maar zulke kleine smet is onbetekenend als wij de allerlaatste zin van Oscar zien. Die is zodanig grappig, dat er niet meteen iemand zal opstaan om hem te verbeteren.

.

Bij De Standaard hebben ze altijd mooie ingezonden stukjes. Vandaag hebben ze er eentje van een voormalige restauranthouder, die tussen de soep en de patatten ook socioloog moet geworden zijn. Dat eerste, van dat restaurant, weten we omdat de schrijver het ons zelf vertelt, en het tweede maak ik op uit het redactionele onderschrift bij zijn briefje: Hugo Van Assche is socioloog.
Wij hebben geloof ik een wet die zegt dat je geen café of restaurant mag houden, als je niet over het juiste brevet beschikt. Of sociologen ook iets dergelijks moeten bezitten om zich socioloog te mogen noemen weet ik niet. Wellicht niet, of anders gaat het om een loutere formaliteit. Een vak als logica bijvoorbeeld zal niet tot de propedeuse van de sociologie behoren, hoogstens er summier aan bod komen, want wat lezen wij bij de socioloog Hugo Van Assche?

Maar het dragen van de hoofddoek maakt ook deel uit van de godsdienstvrijheid en de identiteit van die meisjes. Dat verbieden getuigt van een gebrek aan respect voor hun identiteit en hun individuele keuze, zelfs al wordt die keuze hen opgedrongen. Onze wetten garanderen die meisjes dat ze later sowieso hun eigen keuzes kunnen maken. Laat het hun verdienste zijn, als zij later kiezen om niet meer toe te geven aan die groepsdruk.

Nu kun je over de vrije wil verschillend denken, en zo schreef bijvoorbeeld Erasmus van Rotterdam in 1524 zijn De Libero Arbitrio, waarin hij beweerde dat er wel degelijk zoiets als vrije wil bestaat. Luther dacht daar anders over en diende hem twee jaar later van antwoord in De Servo Arbitrio. Die twee zijn daar nooit goed uitgeraakt.
Maar de wetenschap staat niet stil, en nu zien wij, in dit korte lezersbriefje in De Standaard, dat je een vrije keuze ook aan iemand kunt opdringen! Moslimmeisjes kunnen dus eenvoudig gedwongen worden om vrij voor de hoofddoek te kiezen.
Hoe heeft het gezamenlijke, en toch niet geringe verstand van Luther, Erasmus en al diegenen die na hen kwamen, deze schitterende oplossing kunnen overzien?

___________


Noot van 30 juni: Luc Huyse, die vandaag in de krant de harde taak op zijn schouders nam om te bewijzen dat de kiezers in Vlaanderen niét nationalistisch hebben gestemd, en die alweer naar datzelfde “wetenschappelijke” (but it is only sociology, zoals de Harvard wiskundeprof Tom Lehrer lang geleden al zong) onderzoekje verwees, waar eerder Sinardet en Reynebeau al mee zwaaiden, lijkt hieronder ook een logische fout te maken, al kan in dit geval wel een lofwaardige onwetendheid omtrent het voetbalspel hebben gespeeld:

“De dag na 7 juni was te lezen en te horen dat de opiniepeilers weer eens de grootste verliezers waren. Maar is dat wel zo zeker? Natuurlijk heeft TNS-Media/Dimarso, de Madame Soleil van De Standaard en de VRT, serieuze missers gescoord.”

.

Bij De Standaard hebben ze altijd mooie ingezonden stukjes. Vandaag hebben ze er eentje van een voormalige restauranthouder, die tussen de soep en de patatten ook socioloog moet geworden zijn. Dat eerste, van dat restaurant, weten we omdat de schrijver zelf het ons vertelt, en het tweede maak ik op uit het redactionele onderschrift bij zijn briefje: Hugo Van Assche is socioloog.
Wij hebben geloof ik een wet die zegt dat je geen café of restaurant mag houden, als je niet over het juiste brevet beschikt. Of sociologen ook iets dergelijks moeten bezitten om zich socioloog te mogen noemen weet ik niet. Wellicht niet, of anders gaat het om een loutere formaliteit. Een vak als logica bijvoorbeeld zal niet tot de propedeuse van de sociologie behoren, hoogstens er summier aan bod komen, want wat lezen wij bij de socioloog Hugo Van Assche?

Maar het dragen van de hoofddoek maakt ook deel uit van de godsdienstvrijheid en de identiteit van die meisjes. Dat verbieden getuigt van een gebrek aan respect voor hun identiteit en hun individuele keuze, zelfs al wordt die keuze hen opgedrongen. Onze wetten garanderen die meisjes dat ze later sowieso hun eigen keuzes kunnen maken. Laat het hun verdienste zijn, als zij later kiezen om niet meer toe te geven aan die groepsdruk.

Nu kun je over de vrije wil verschillend denken, en zo schreef bijvoorbeeld Erasmus van Rotterdam in 1524 zijn De Libero Arbitrio, waarin hij beweerde dat er wel degelijk zoiets als vrije wil bestaat. Luther dacht daar anders over en diende hem twee jaar later van antwoord in De Servo Arbitrio. Die twee zijn daar nooit goed uitgeraakt.
Maar de wetenschap staat niet stil, en nu zien wij, in dit korte lezersbriefje in De Standaard, dat je een vrije keuze ook aan iemand kunt opdringen! Moslimmeisjes kunnen dus eenvoudig gedwongen worden om vrij voor de hoofddoek te kiezen.
Hoe heeft het gezamenlijke, en toch niet geringe verstand van Luther, Erasmus en al diegenen die na hen kwamen, deze schitterende oplossing kunnen overzien?

___________


Noot van 30 juni: Luc Huyse, die vandaag in de krant de harde taak op zijn schouders nam om te bewijzen dat de kiezers in Vlaanderen niét nationalistisch hebben gestemd, en die alweer naar datzelfde “wetenschappelijke” (but it is only sociology, zoals de Harvard wiskundeprof Tom Lehrer lang geleden al zong) onderzoekje verwees, waar eerder Sinardet en Reynebeau al mee zwaaiden, lijkt hieronder ook een logische fout te maken, al kan in dit geval wel een lofwaardige onwetendheid omtrent het voetbalspel hebben gespeeld:

“De dag na 7 juni was te lezen en te horen dat de opiniepeilers weer eens de grootste verliezers waren. Maar is dat wel zo zeker? Natuurlijk heeft TNS-Media/Dimarso, de Madame Soleil van De Standaard en de VRT, serieuze missers gescoord.”

« Vorige PaginaVolgende Pagina »